Aantekeningen AFP KNO
Zintuig
- Orgaan dat door middel van zintuigcellen (receptoren) een prikkel opvangt en door een
impuls (elektrische signalen) naar de hersenen/ruggenmerg doorgeeft.
- Doorgeven gebeurt door aanvoerende zenuwen
- In de hersenen en ruggenmerg vind verwerking plaats -> door afvoerende zenuwen beweeg
je spieren en werken de organen.
Prikkel zintuig impuls verwerking impuls reactie
Geluid oor elektrisch signaal hersenen elektrisch signaal spier
Soorten zintuigen
- Reuk- en smaakzintuigen
- Warmte- en koude zintuigen
- Tast-, druk- en pijnzintuigen
- Gehoor- en evenwichtszenuw
- Gezichtszintuig
Anatomie keel en neus
Mondholte: bovenkant= gehemelte en bovenkaak
Gehemelte:
- Het harde gehemelte (palatum darum): 2/3,
Voorste is bot en heeft een welving
- Het zachte gehemelte (palatum molle):
Achterste deel, pees- en spierweefsel. Loopt door in
De huig (uvula). Functie van de huig:
Afsluiten van neusholte bij slikken en betrokken bij spraakklanken.
Binnenzijde mondholte is slijmvlies.
, keelamandelen (tonsil/tonsillen)
- Zijkanten zachte gehemelte = voorste en achterste gehemeltebogen (farynxbogen)
Hiertussen liggen de tonsillen. > horen bij de keelholte
- Bestrijden van infecties; het vangt zoveel mogelijk binnendringende ziekteverwekkers op en
maakt ze onschadelijk.
De kaak
- Hoefijzervormige randen van de mondholte
- Boven en onderkaak met tanden
- Afbraak van voedsel
- Kauwspieren en halsspieren; oppervlakte van voedsel
wordt vergroot
Eten wordt sneller verteerd.
Het gebit
- Volwassen begit: 32 elementen (16 in elke kaak)
- Melkgebit t/m 6 jaar permanente tanden
- Gebitselementen:
1. Kroon: zichtbare gedeelte
2. Hals: bedekt met tandvlees
3. Wortel: hiermee zit element vast in de kaak
- Gemaakt van dentine en bedekt met tandglazuur = hard, geeft bescherming
- Door zuren kan het glazuur kapot gaan gaatjes
- Binnenin de tand zenuwen en bloedvaten tot in het wortelkanaal.
Speekselklieren
- Produceren speeksel
- Noodzakelijk voor kauwen van voedsel
- 3 soorten klieren, elk soort heeft er 2.
1. Oorspeekselklier (glandula parotis)
2. Ondertongspeekselklier (glandula sublingualis)
3. Onderkaakspeekselklier (glandula submandibularis)
Speeksel
- Slijmerig en waterig
- Functies:
1. Slikken gaat makkelijker
2. Bewegen van tong en lippen gaat makkelijker
3. Bevat enzym amylase > vertering van suikers
4. Beschermt tegen bacteriën
5. Werkt neutraliserend op maagzuur
- Reflexmatig en onbewust door het zenuwstelsel
De tong
- Spierweefsel
- Bevestigd aan het tongbeen en tongriem
- Functies:
1. Proeven > smaakpapillen
2. Kauwen en slikken
3. Duidelijk spreken
4. Mondhygiëne
Zintuig
- Orgaan dat door middel van zintuigcellen (receptoren) een prikkel opvangt en door een
impuls (elektrische signalen) naar de hersenen/ruggenmerg doorgeeft.
- Doorgeven gebeurt door aanvoerende zenuwen
- In de hersenen en ruggenmerg vind verwerking plaats -> door afvoerende zenuwen beweeg
je spieren en werken de organen.
Prikkel zintuig impuls verwerking impuls reactie
Geluid oor elektrisch signaal hersenen elektrisch signaal spier
Soorten zintuigen
- Reuk- en smaakzintuigen
- Warmte- en koude zintuigen
- Tast-, druk- en pijnzintuigen
- Gehoor- en evenwichtszenuw
- Gezichtszintuig
Anatomie keel en neus
Mondholte: bovenkant= gehemelte en bovenkaak
Gehemelte:
- Het harde gehemelte (palatum darum): 2/3,
Voorste is bot en heeft een welving
- Het zachte gehemelte (palatum molle):
Achterste deel, pees- en spierweefsel. Loopt door in
De huig (uvula). Functie van de huig:
Afsluiten van neusholte bij slikken en betrokken bij spraakklanken.
Binnenzijde mondholte is slijmvlies.
, keelamandelen (tonsil/tonsillen)
- Zijkanten zachte gehemelte = voorste en achterste gehemeltebogen (farynxbogen)
Hiertussen liggen de tonsillen. > horen bij de keelholte
- Bestrijden van infecties; het vangt zoveel mogelijk binnendringende ziekteverwekkers op en
maakt ze onschadelijk.
De kaak
- Hoefijzervormige randen van de mondholte
- Boven en onderkaak met tanden
- Afbraak van voedsel
- Kauwspieren en halsspieren; oppervlakte van voedsel
wordt vergroot
Eten wordt sneller verteerd.
Het gebit
- Volwassen begit: 32 elementen (16 in elke kaak)
- Melkgebit t/m 6 jaar permanente tanden
- Gebitselementen:
1. Kroon: zichtbare gedeelte
2. Hals: bedekt met tandvlees
3. Wortel: hiermee zit element vast in de kaak
- Gemaakt van dentine en bedekt met tandglazuur = hard, geeft bescherming
- Door zuren kan het glazuur kapot gaan gaatjes
- Binnenin de tand zenuwen en bloedvaten tot in het wortelkanaal.
Speekselklieren
- Produceren speeksel
- Noodzakelijk voor kauwen van voedsel
- 3 soorten klieren, elk soort heeft er 2.
1. Oorspeekselklier (glandula parotis)
2. Ondertongspeekselklier (glandula sublingualis)
3. Onderkaakspeekselklier (glandula submandibularis)
Speeksel
- Slijmerig en waterig
- Functies:
1. Slikken gaat makkelijker
2. Bewegen van tong en lippen gaat makkelijker
3. Bevat enzym amylase > vertering van suikers
4. Beschermt tegen bacteriën
5. Werkt neutraliserend op maagzuur
- Reflexmatig en onbewust door het zenuwstelsel
De tong
- Spierweefsel
- Bevestigd aan het tongbeen en tongriem
- Functies:
1. Proeven > smaakpapillen
2. Kauwen en slikken
3. Duidelijk spreken
4. Mondhygiëne