Bouw:
Celmembraan --> Vliesje dat de cel omsluit.
Celvocht (cytoplasma) --> oplossing van suikers, zouten en eiwitten.
Celkern --> Drager van het erfelijk matteriaal (DNA).
Celorganellen --> zet voedingstoffen om in energie.
Celdeling:
"Mitose" of de normale celdeling vindt plaats in alle lichaamscellen, behalve de geslachtscellen. Het
doel: uit één moedercel twee identieke dochtercellen ontstaan. Een kern kan niet zomaar in twee
splitsen anders zou het aantal chromosomen halveren. Om dit te voorkomen, worden de chromosomen
eerst verdubbeld.
De "Meiose" celvorming vindt plaats in de geslachtsonderdelen. (teelballen en eierstokken). Bij de
vorming van de zaadcellen en eicellen vindt vermeerdering plaats door middel van een proces dat
reductiedeling heet.
Het doel: de halvering van de chromosomen.
Weefsels.
Dekweefsel: (epitheel) beschermende functie en afscheiding tussen de onderliggende weefsel en de
buitenwereld (huid).
Binnenkant van sommige organen (slijmvlies).
Steunweefsel: (Bindweefsel, kraakbeen en been)
Steun, bescherming, weerstand, verbinding van andere organen, verzorgen van andere weefsels.
Collageen bindweefsel: Zeer trekvast, geneest traag, weinig bloedvaten.
Gewrichtsbanden, pezen en peesplaten.
Elastisch bindweefsel: Goed rekbaar.
Wanden van grote slagaders, stembanden en longen.
Vetweefsel (steunvet): Bestaat uit bindweefselcellen, ophopingen van vet, lijken een soort ballonnetje.
Reservevooraad energie, isoleert warmte, stootkussen en afronding.
Steunende functie: rond oogkassen, op de schedelen op de nieren.
Kraakbeenweefsel: Hyalien: bekleed gewrichtsvlakken op botuiteinden, zeer glad, fijn collageen.
Elastisch kraakbeen: Grote veerkracht, elastisch en gelig van kleur.
Neus- en oorschelp en strottenklepje.
Fibreus kraakbeen (vezelig kraakbeen): Bestand tegen enorme druk.
Tussenwervelschijven, menesci van de knieen.
Beenweefsel: Hard en stevig, uitgebreid bloedvatennetwerk met veel haarvaten, hoge stofwisseling,
continu afbraak en opbouw.
-Spongieus beenweefsel: Sponsachtig netwerk gevuld met beenmerg, aanmaak
bloedcellen, veel wijde bloedvaten.
-Massief beenweefsel: compact weefsel.
Spierweefsel.
Glad spierweefsel (onwillekeurig): Bijna onvermoeibaar, niet aanstuurbaar.
Holle organen (maag, slokdarm en darmen)
Dwarsgestreept spierweefsel (willekeurig): Aanstuurbaar, snel, krachtig en snel vermoeibaar.
Hartspierweefsel: Zelfde eigenschappen van zowel de gladde- en het dwarsgestreept spierweefsel.