Probleem 7
Beweging zien
COREN, WARD EN ENNS (1999)
GOLDSTEIN (2010)
Vignet: marathon
Hoe zien we beweging?
Het zien van beweging heeft verschillende functies:
het helpt ons gebeurtenissen in onze omgeving te begrijpen
beweging trekt onze aandacht (attentional capture)
het geeft ons informatie over objecten.
De daadwerkelijke beweging van een object heet real motion. Dit is het tegenovergestelde van
illusory motion: wanneer je beweging ziet die er eigenlijk niet is. Hier zijn verschillende vormen
van.
Apparent motion: wanneer beelden niet echt bewegen,
maar er gewoon verschillende elkaar opvolgen zoals
bijvoorbeeld in lichtreclame of stopmotion. De periode tussen
de twee beelden heet de interstimulus interval. Wanneer
deze te kort is, zie je de stimuli tegelijk en wanneer het te lang
is, zie je geen beweging. De frame duration houdt in hoe
lang een stimulus gepresenteerd wordt en de tijd van het
begin van de eerste stimulus tot het begin van de tweede
stimulus heet de stimulus onset asynchrony(SOA). Deze
laatste is de belangrijkste determinant. Dit heet de SOA
law/onset-offset law.
Induced motion: wanneer een klein object lijkt te bewegen als er grotere objecten langs
bewegen, zoals bijvoorbeeld de maan in de lucht wanneer er wolken langs bewegen.
Motion aftereffects: als je lang naar een bewegende stimulus hebt gekeken, lijkt een
stilstaande stimulus te bewegen. Een voorbeeld hiervan is de watervalillusie waarbij je eerst
een poosje naar een waterval kijkt en daarna naar een stilstaande stimulus. Het lijkt dan of deze
omhoog beweegt.
Implied motion: als je je de beweging van een afbeelding voor kunt stellen.
Eerst werd gedacht dat echte beweging en illusoire beweging door verschillende mechanismes
gezien werd, maar er is veel bewijs dat dit via hetzelfde mechanisme gaat.
Beweging kan op drie manieren voorkomen:
A. Je kunt recht vooruit kijken en iets kan dan door je beeld bewegen. De ogen staan dan stil en het
object beweegt. Het object beweegt dan over je retina.
B. Je kunt iets volgen met je ogen. De kijker is dan stilstaand, maar de ogen bewegen. Het beeld op
de retina is dan stationair, want het blijft op hetzelfde punt op de retina vallen.
C. Je kunt zelf bewegen. Alles in de ruimte staat dan stil, behalve jij. De objecten bewegen dan over
je retina als je beweegt.
Beweging zien
COREN, WARD EN ENNS (1999)
GOLDSTEIN (2010)
Vignet: marathon
Hoe zien we beweging?
Het zien van beweging heeft verschillende functies:
het helpt ons gebeurtenissen in onze omgeving te begrijpen
beweging trekt onze aandacht (attentional capture)
het geeft ons informatie over objecten.
De daadwerkelijke beweging van een object heet real motion. Dit is het tegenovergestelde van
illusory motion: wanneer je beweging ziet die er eigenlijk niet is. Hier zijn verschillende vormen
van.
Apparent motion: wanneer beelden niet echt bewegen,
maar er gewoon verschillende elkaar opvolgen zoals
bijvoorbeeld in lichtreclame of stopmotion. De periode tussen
de twee beelden heet de interstimulus interval. Wanneer
deze te kort is, zie je de stimuli tegelijk en wanneer het te lang
is, zie je geen beweging. De frame duration houdt in hoe
lang een stimulus gepresenteerd wordt en de tijd van het
begin van de eerste stimulus tot het begin van de tweede
stimulus heet de stimulus onset asynchrony(SOA). Deze
laatste is de belangrijkste determinant. Dit heet de SOA
law/onset-offset law.
Induced motion: wanneer een klein object lijkt te bewegen als er grotere objecten langs
bewegen, zoals bijvoorbeeld de maan in de lucht wanneer er wolken langs bewegen.
Motion aftereffects: als je lang naar een bewegende stimulus hebt gekeken, lijkt een
stilstaande stimulus te bewegen. Een voorbeeld hiervan is de watervalillusie waarbij je eerst
een poosje naar een waterval kijkt en daarna naar een stilstaande stimulus. Het lijkt dan of deze
omhoog beweegt.
Implied motion: als je je de beweging van een afbeelding voor kunt stellen.
Eerst werd gedacht dat echte beweging en illusoire beweging door verschillende mechanismes
gezien werd, maar er is veel bewijs dat dit via hetzelfde mechanisme gaat.
Beweging kan op drie manieren voorkomen:
A. Je kunt recht vooruit kijken en iets kan dan door je beeld bewegen. De ogen staan dan stil en het
object beweegt. Het object beweegt dan over je retina.
B. Je kunt iets volgen met je ogen. De kijker is dan stilstaand, maar de ogen bewegen. Het beeld op
de retina is dan stationair, want het blijft op hetzelfde punt op de retina vallen.
C. Je kunt zelf bewegen. Alles in de ruimte staat dan stil, behalve jij. De objecten bewegen dan over
je retina als je beweegt.