Toets Geschiedenis P5 met antwoorden
1. Het ‘dolhuis’ was een
(a) bordeel voor prostituees
(b) opvang voor psychiatrische patiënten
(c) attractie op de kermis
2. In het boek van Bijlsma en Janssen wordt gesproken over werken in het ‘gedwongen kader’. Welk
van deze begrippen hoort daar niet thuis?
(a) reclassering
(b) gezag op de leerplicht
(c) kinderbescherming
3. Rechtvaardigheidsgevoelens en sociale angst zijn allebei motieven voor Sociaal Werk. We
vinden deze motieven terug in het Sociaal Werk dat ontstaat in reactie op de verschijning van
(a) het Communistisch Manifest
(b) de hut van Oom Tom.
(c) de Markt van Welzijn en Geluk.
4. De humanistische hervormers pleitten in de zestiende eeuw voor een andere visie op de armen.
Dit leidde tot een andere opstelling ten opzichte van de armen. De armen werden namelijk meer
(a) veroordeeld.
(b) verzorgd
(c) vrijgelaten
5. AOW is de afkorting van
(a) Algemene Ongevallen Wet.
(b) Arbeids Ongeschiktheids Wet.
(c) Algemene Ouderdoms Wet.
6. De vierde-eeuwer Antonius wilde Jezus volgen en vond dat zijn persoonlijke bezittingen hem
daarbij in de weg zaten. Hij verkocht zijn eigendommen en
(a) schonk de opbrengst aan de armen.
(b) schonk de opbrengst aan het klooster.
(c) schonk de opbrengst aan de kerk.
7. Multiconfessionele armenzorg heeft in Nederland een voorgeschiedenis, die begint in de
(a) zeventiende eeuw.
(b) veertiende eeuw.
(c) negentiende eeuw.
8. 'De armenkwestie werd omstreeks 1890 een sociale kwestie.' Met deze zin wordt bedoeld:
(a) dat men gaat inzien dat armoede maatschappelijke oorzaken heeft.
(b) dat de armen zich omstreeks die tijd socialer gingen gedragen.
(c) dat armen minder individualistisch werden.