Toetsen
Toets 3:
Hoofdstuk 4 (blz. 105 t/m 155)
Hoofdstuk 7 (blz. 207 t/m 255)
98 bladzijdes
Hoofdstuk 4. Informatieverwerking en emotie
4.1 Inleiding
Wat op een bepaald moment geleerd wordt en welke eerder geleerde kennis geactiveerd wordt
is afhankelijk van allerlei andere cognitieve processen die op zo’n moment actief kunnen zijn.
Kennis van deze functies is belangrijk om psychopathologie te begrijpen en goede
interventies toe te passen. Dit hoofdstuk kijkt naar cognitieve functies die naast leren hiervoor
het belangrijkst zijn.
Informatieverwerking: (in plaats van cognitie) want veel processen zijn juist onbewust of
impliciet.
Emotionele episode (achtereenvolgens en parallel): waarneming, aandacht, geheugen,
evaluatie en automatische gedragsvoorbereiding – spelen allemaal een rol.
Emotionele responsen: betekenisvolle reacties op actuele informatie over (voor de
betrokkene) relevante gebeurtenissen.
Om een emotioneel informatie verwerkend proces te starten moet eerst worden waargenomen.
Is dit belangrijk genoeg (= globale evaluatie)? Dan aandacht hierop richten. Tegelijk wordt
informatie uit geheugen opgehaald, waarmee de actuele waarneming op waarde kan worden
geschat. Daarna wordt er een beslissing genomen over het ondernemen (of niet ondernemen)
van actie.
Mensen verschillen onderling in de wijze waarop een proces wordt doorlopen, door:
- Informatie verwerkende systeem heeft op bepaalde plekken weinig capaciteit, dus
moeten keuzes gemaakt worden over welke informatie bewerking voorrang heeft op
andere informatie bewerking. Vaak is dit onbewust.
- Keuzes worden beïnvloed door persoonlijk gekleurde selectiviteit (bias). Wanneer
deze keuzes disfunctioneel en habitueel zijn spreek je van psychopathologie.
4.2 Onderscheid cognitieve therapie en cognitieve psychologie
Behaviorisme was tot 1960 de wetenschappelijk dominante gestaltpsychologie. Zeker hard
core orthodox behaviorisme bood geen ruimte voor onderzoek naar cognities en cognitieve
processen.
1