Mensen worden beïnvloedt door andere mensen en zijn afhankelijk van elkaar (interdependent). Door
de eigen socialisatie gaan mensen zich gedragen naar de verwachtingen van anderen. Ook je
referentiekader komt voort uit de socialisatie, deze bepaalt hoe je de wereld om je heen waarneemt en
bestaat uit kennis, waarden en oordelen. Dat wij zelf bepalen wie en hoe we zijn is een illusie, dit wordt
aangeleerd door de omgeving en daardoor ontstaan ook groeperingen met dezelfde referentiekaders.
Een hulpverlener moet sociaal bewustzijn, dit geeft inzicht in het eigen gedrag en het gedrag van de
ander. Sociaal bewust worden is voor een mens wel moeilijk, vaak zien mensen hun eigen wereld en
eigen waarheid als dé wereld en dé waarheid. Om deze reden vereist sociologisch denken een bepaalde
afstand en objectiviteit.
Voor SPH’ers is het belangrijk rekening te houden met de omgeving van een cliënt, een probleem kan
namelijk voortkomen uit, opgelost worden of beïnvloedt worden door de omgeving. Zo kan iemand met
een beperking in welke vorm dan ook misschien wel normaal functioneren maar lukt dit niet door de
slechte toegankelijkheid van zijn of haar omgeving. Hierbij zijn duidelijkheid, communicatie en stigma
belangrijke begrippen, deze beïnvloeden de reactie van de omgeving op het probleem. Een
onaangepaste omgeving is dan ook het uitgangspunt van een beperking, dit wordt omschreven door de
volgende begrippen:
Impairment: het hebben van een beperking, het verschil met een ‘gezond’ mens.
Disability: beperkt worden in je doen en laten doordat de omgeving niet op jou is aangepast.
Wanneer er slechte duidelijkheid, communicatie en er een stigma is kan dit leiden tot sociale uitsluiting.
Sociale uitsluiting is er niet bij mogen horen, kunnen horen en (meer) willen horen. Er niet bij mogen
horen komt voort uit opzettelijke discriminatie van bepaalde personen of groepen. Er niet bij kunnen
horen komt voort uit het onvermogen om bepaalde ‘normale’ dagelijkse dingen uit te voeren door
bijvoorbeeld een handicap, hierbij is iemand dus aangewezen op de eigen verantwoordelijkheid. Er niet
(meer) bij willen horen is een gevolg van er niet bij mogen of kunnen horen. Er zijn 5 dimensies in
sociale uitsluiting. Ten eerste morele afkeuring; dit heeft te maken met het bevooroordelen van dingen
die ‘anders’ zijn. Ruimtelijke segregatie; een voorbeeld hiervan zijn achterstandswijken, hierbij is goed
te zien dat de mensen die ‘anders’ zijn in aparte wijken gaan wonen en zo dus letterlijk uitgesloten
worden. Gering economisch rendement; dit is uitsluiting door geen baan te hebben/weinig te
verdienen. Geringe sociale weerbaarheid: onder uitgesloten groepen vindt vaak veel teruggetrokken
gedrag plaats omdat ze zich schamen voor hetgeen waardoor ze uitgesloten worden en zo weinig tot
geen weerbaarheid hebben. Ten slotte is er een zwakke rechtspositie; dit is meestal een gevolg van alle
andere dimensies.
Hoorcollege 2: h3 praktijkboek sociologie
Mensen leren alles van andere mensen en zo is de wereld eigenlijk een groot rollenspel. Zelfs emoties
zijn sociaal gekleurd: zo kunnen we thuis als we verdrietig zijn heel hard gaan huilen terwijl we op school
stiekem een traantje weg zouden vegen.