Hoofdstuk 7 - Computerarchitectuur
7.1 - Blokschema van een computer
We zien een CPU, dit is het hart van de computer. Daarnaast vinden we het geheugen en voor de
communicatie met buitenaf dient het blok I/O (Input/Output). Het transporteren van de gegevens
(data) gaat via de databus. De adresbus geeft aan waar de gegevens vandaan moeten komen of waar
ze naartoe moeten. De besturingsbus of controlebus bevat alle overblijvende signalen. Een voorbeeld
is het read-/write-lijn signaal.
7.2 - Busarchitectuur
Een computersysteem is vrijwel altijd opgebouwd op basis van een busarchitectuur. De bussen zijn
opgebouwd uit een x aantal parallelle verbindingen.
Bij een databus geeft de breedte van de bus aan hoeveel bits er tegelijkertijd getransporteerd
kunnen worden. De adresbus geeft aan waar de gegevens heen moeten of vandaan komen. Met de
breedte van de bus geven we aan hoe groot het adres bereik is.
Wanneer men data transfer wil hebben tussen meerdere registers moet men gebruik maken van
tristate buffers. Deze tristate buffers staan parallel aan het register en hebben een
gemeenschappelijke enable ingang. Door de enable van een van de buffers te activeren wordt dat
register gekopieerd naar de andere registers
7.3 - Geheugen
De capaciteit van een geheugen wordt bepaald door het aantal bits wat hij bevat. Het aantal bits
wordt bepaald door het aantal bits op een geheugen plek vermenigvuldigd met het aantal
geheugenplekjes. Het aantal geheugenplekjes wordt bepaald door het aantal adreslijnen.
Vanwege de progagation delay van diverse componenten, duurt het even voordat bij een
leesopdracht de data beschikbaar zijn. We noemen de minimale tijd die men moet wachten access-
tijd.
7.1 - Blokschema van een computer
We zien een CPU, dit is het hart van de computer. Daarnaast vinden we het geheugen en voor de
communicatie met buitenaf dient het blok I/O (Input/Output). Het transporteren van de gegevens
(data) gaat via de databus. De adresbus geeft aan waar de gegevens vandaan moeten komen of waar
ze naartoe moeten. De besturingsbus of controlebus bevat alle overblijvende signalen. Een voorbeeld
is het read-/write-lijn signaal.
7.2 - Busarchitectuur
Een computersysteem is vrijwel altijd opgebouwd op basis van een busarchitectuur. De bussen zijn
opgebouwd uit een x aantal parallelle verbindingen.
Bij een databus geeft de breedte van de bus aan hoeveel bits er tegelijkertijd getransporteerd
kunnen worden. De adresbus geeft aan waar de gegevens heen moeten of vandaan komen. Met de
breedte van de bus geven we aan hoe groot het adres bereik is.
Wanneer men data transfer wil hebben tussen meerdere registers moet men gebruik maken van
tristate buffers. Deze tristate buffers staan parallel aan het register en hebben een
gemeenschappelijke enable ingang. Door de enable van een van de buffers te activeren wordt dat
register gekopieerd naar de andere registers
7.3 - Geheugen
De capaciteit van een geheugen wordt bepaald door het aantal bits wat hij bevat. Het aantal bits
wordt bepaald door het aantal bits op een geheugen plek vermenigvuldigd met het aantal
geheugenplekjes. Het aantal geheugenplekjes wordt bepaald door het aantal adreslijnen.
Vanwege de progagation delay van diverse componenten, duurt het even voordat bij een
leesopdracht de data beschikbaar zijn. We noemen de minimale tijd die men moet wachten access-
tijd.