Brugboek marketing voor facilitaire dienstverleners
2.1
Het marktmechanisme is een situatie van vrij ruilverkeer waarbij vraag en aanbod bij elkaar komen.
In een zuivere situatie van marktwerking, in een zogenaamde vrije markteconomie, is er geen
bemoeienis van de overheid die dwingend en kunstmatig het marktevenwicht handhaaft.
Het uitschakelen van het marktmechanisme betekent dat de individuele voorkeuren van
consumenten en producenten geen zelfstandige plaats innemen bij de besluitvorming over de aard,
de omvang en verrekenprijs van de productie.
2.1.1
Voorstanders van marktwerking beweren dat ze gezond is voor de economie. Tegenstanders
beweren juist dat ze ertoe zou leiden dat bedrijven alleen maar het commerciële belang
vooropstellen.
Vaak is het zo dat pas als er concurrentie dreigt, bedrijven zich afvragen wat de klanten nu willen. Als
gevolg van marktwerking zullen bedrijven daarom beter moeten leren in te spelen op
vraagontwikkelingen, willen ze voordeel op de concurrentie behalen. Voor de dynamiek van de
marktwerking is het wel noodzakelijk dat er voldoende veel aanbieders zijn. De gevolgen zijn dan:
- Een groter en gedifferentieerd aanbod.
- Een toenemende transparantie van aanbieders
- Een neerwaartse prijzendruk
- Betere producten en een betere dienstverlening
- Faillissementen en doorlopend alternatieve aanbieders
2.2
Het marketingconcept bestaat eruit dat organisaties de wensen en verlangens van afnemers op de
markt centraal stellen bij hun handelen. De uitdaging voor organisaties is om telkens weer
commercieel beter te presteren dan concurrerende aanbieders. De weg naar deze
marketingoriëntatie loopt via:
2.2.1 Productoriëntatie
Tot lang na de Tweede Wereldoorlog konden bedrijven alles produceren wat ze maar wilden. De
commerciële aantrekkelijkheid van de markt was groot voor producenten, wat een snel toenemende
aantal van soortgelijke aanbieders tot gevolg had. De concurrentie leidde er op den duur toe dat er
voor het verkrijgen van een voorkeurspositie bij de consument meer nodig was dan alleen maar het
bieden van een product.
2.2.2 Productoriëntatie
Om zichzelf te onderscheiden van de concurrentie concentreerden bedrijven zich daarna op het
aanbieden van een betere kwaliteit. Al spoedig imiteerden bedrijven elkaar en werk kwaliteit min of
meer de norm. Kwaliteit alleen was geen basis meer om zich van de concurrentie te onderscheiden.
2.2.3 Verkooporiëntatie
Om de toenemende concurrentie het hoofd te bieden, werd de nadruk gelegd op de verkoop. Nog
steeds in vrijwel elke sector actueel. Bedrijven bieden klanten steeds vaker een additionele bron van
waarde aan in de vorm van bijgeleverde dienstverlening.
2.2.4 Marketingoriëntatie
De klant centraal stellen bij het denken en handelen. De aantrekkelijkheid wordt bepaald door:
- De reputatie die de leverancier heeft weten te vestigen
2.1
Het marktmechanisme is een situatie van vrij ruilverkeer waarbij vraag en aanbod bij elkaar komen.
In een zuivere situatie van marktwerking, in een zogenaamde vrije markteconomie, is er geen
bemoeienis van de overheid die dwingend en kunstmatig het marktevenwicht handhaaft.
Het uitschakelen van het marktmechanisme betekent dat de individuele voorkeuren van
consumenten en producenten geen zelfstandige plaats innemen bij de besluitvorming over de aard,
de omvang en verrekenprijs van de productie.
2.1.1
Voorstanders van marktwerking beweren dat ze gezond is voor de economie. Tegenstanders
beweren juist dat ze ertoe zou leiden dat bedrijven alleen maar het commerciële belang
vooropstellen.
Vaak is het zo dat pas als er concurrentie dreigt, bedrijven zich afvragen wat de klanten nu willen. Als
gevolg van marktwerking zullen bedrijven daarom beter moeten leren in te spelen op
vraagontwikkelingen, willen ze voordeel op de concurrentie behalen. Voor de dynamiek van de
marktwerking is het wel noodzakelijk dat er voldoende veel aanbieders zijn. De gevolgen zijn dan:
- Een groter en gedifferentieerd aanbod.
- Een toenemende transparantie van aanbieders
- Een neerwaartse prijzendruk
- Betere producten en een betere dienstverlening
- Faillissementen en doorlopend alternatieve aanbieders
2.2
Het marketingconcept bestaat eruit dat organisaties de wensen en verlangens van afnemers op de
markt centraal stellen bij hun handelen. De uitdaging voor organisaties is om telkens weer
commercieel beter te presteren dan concurrerende aanbieders. De weg naar deze
marketingoriëntatie loopt via:
2.2.1 Productoriëntatie
Tot lang na de Tweede Wereldoorlog konden bedrijven alles produceren wat ze maar wilden. De
commerciële aantrekkelijkheid van de markt was groot voor producenten, wat een snel toenemende
aantal van soortgelijke aanbieders tot gevolg had. De concurrentie leidde er op den duur toe dat er
voor het verkrijgen van een voorkeurspositie bij de consument meer nodig was dan alleen maar het
bieden van een product.
2.2.2 Productoriëntatie
Om zichzelf te onderscheiden van de concurrentie concentreerden bedrijven zich daarna op het
aanbieden van een betere kwaliteit. Al spoedig imiteerden bedrijven elkaar en werk kwaliteit min of
meer de norm. Kwaliteit alleen was geen basis meer om zich van de concurrentie te onderscheiden.
2.2.3 Verkooporiëntatie
Om de toenemende concurrentie het hoofd te bieden, werd de nadruk gelegd op de verkoop. Nog
steeds in vrijwel elke sector actueel. Bedrijven bieden klanten steeds vaker een additionele bron van
waarde aan in de vorm van bijgeleverde dienstverlening.
2.2.4 Marketingoriëntatie
De klant centraal stellen bij het denken en handelen. De aantrekkelijkheid wordt bepaald door:
- De reputatie die de leverancier heeft weten te vestigen