De student weet zijn keuzes voor methodieken en interventies te verbinden met de taken en missie van sociaal werk.
Missie sociaal werk; maatschappelijk werkers streven ernaar dat mensen zich in wisselwerking met hun sociale omgeving
zo goed mogelijk kunnen ontplooien, naar hun eigen aard, behoeften en opvattingen en dat ze rekening houden met
anderen met wie zij samenleven. (humanistische stroming= krachten van cliënt)
Sinds de WMO- Welzijn nieuwe stijl: de missie van het sociaal werk is opgeschoven van activeren van cliënten naar
activeren van cliënten en van het sociale netwerk rondom de cliënt. ( netwerkbenadering, systeembenadering en
empowerment)
Taken sociaal werk: outreachende benadering, onderzoek en rapportage, crisisinterventies, ondersteunde en
stabiliserende ondersteuning bieden, signalering en preventie. Blz 36
De student weet de keuze voor een methodiek en interventie te verantwoorden met een op referentie- en
waardenkaders gebaseerde achterliggende visie.
Referentiekaders en visies: (welk referentiekader sluit aan bij mijn waardenkader en visie. )
- Psychodynamisch: (verleden/conflicten)
Binnen het psychodynamische referentiekader wordt het psychosociale functioneren van een persoon gezien als de
manier waarop die persoon omgaat met innerlijke conflicten. (driftmodel/Freud). De problemen van cliënten komen voort
door onopgeloste conflicten uit het verleden.
Interventie: Psychoanalytische therapie, overdracht- tegenoverdracht, weerstand en interpretatie. Belangrijk bij deze
therapie is dat cliënten een emotioneel inzicht krijgen in de situatie. Als hulpverlener doorgaan op de door de cliënt geuite
gevoelens en zoekt naar verborgen en verboden gevoelens.
- Experimenteel: (zelfbeeld) Hierbij speelt de zelfverwerkelijking een belangrijke rol. Een congruentie tussen het zelfbeeld
en zelfideaal en tussen de lichamelijke gewaarwording en gevoelens. Voor de zelfverwerkelijking is een klimaat van
vertrouwen nodig maar ook acceptatie. Ontbreekt dit dan ontstaat er een discrepantie tussen voelen, denken handelen
en treden er stoornissen op.
Interventie: relatietherapie: het gaat hierbij om de relatie tussen de cliënt en hulpverlener. Deze therapie is bedoelt om
cliënten de gelegenheid te bieden om zich te ontwikkelen (to grow) zodat hij/zij op een betere wijze problemen op te
lossen. Het gaat hierbij om een verandering van de persoon in zijn geheel en niet om de oplossing van een probleem.
Zowel de psychodynamische referentiekader als het experiëntele richten zich op de gehele persoon en de anderen
benaderingen richten zich op het probleem dat de cliënt heeft.
- Leer theoretisch: (cognitieve psychologie gedrags af en aanleren). Binnen dit referentiekader word het psychosociaal
functioneren van een persoon gezien als een geheel van aangeleerde (dus ook weer af te leren) responsen. Denk hierbij
aan straffen en belonen. Behaviouristische stroming.
Interventie: cognitieve gedragsbenadering: cognitief herstructureringsmodel/coping model/probleemoplossend model. En
het ABC-model. Irrationele gedachten omzetten in reële gedachten.
- Sociaal psychologisch: Binnen dit referentiekader wordt het psychosociaal functioneren gezien als een functie van de
persoon en situatie. Bij sociale invloeden op het individueel gebied gaat het om vragen als: onder welke condities zijn
mensen bereid zich te gehoorzamen? En in welke mate worden iemands opvattingen bepaald door wat mensen in diens
omgeving vinden?
- Systeemtheoretisch: (gezin) Binnen dit referentiekader wordt het psychosociaal functioneren van een persoon gezien
als functie van een groter geheel waarbinnen die persoon is opgenomen. Denk hierbij aan de relatie, gezin of groep.
Binnen dit referentiekader wordt er vaak gekeken naar de circulaire causaliteit= oorzaak gevolg. Het een beïnvloed het
ander. Vaak in gezinnen.
Interventie: gezinstherapie en relatietherapie. Hulpverleners richten zich op de relatiepatronen en de gezinshomeostase.
(strategische/structurele en contextuele benadering).
,- Sociaal ecologisch( sociale omgeving). Het psychosociaal functioneren van een persoon is slechts mogelijk in interactie
met en met hulp van anderen. Sinds de invoering van het WMO is het activeren van het netwerk van cliënten een
belangrijk begrip geworden en daarom moet het netwerk erbij betrokken worden binnen dit referentiekader. (eigen
kracht conferentie/IRB).
Interventie: groepsmaatschappelijk werk, netwerkbenadering en of gezinsbenadering.
- Maatschappelijk: Sociologische theorieën worden samengevat binnen dit referentiekader.
Interventie: etietteringstheorie en socialecontroletheorie.
Ik sta vooral achter de leertheorie en het systeemtheorie, omdat ik het gezin en de eigen gedragingen van de cliënt in kaart
wil brengen. Iedereen leert zo kan je ook op een foute manier leren denken en zo psychische problemen krijgen denk aan
depressie. Om deze psychische stoornissen te verminderen/verhelpen kan je steun vanuit het gezin goed gebruiken bij de
cliënt. Op deze manier ziet de cliënt wie er voor hem zijn en dat geeft hem kracht om te vechten tegen bijvoorbeeld
depressie.
Tijdens de toets kunnen onderbouwen welke bovenstaande referentiekaders het beste aansluit bij de problematiek! En
beschrijf je eigen waardenkaders daarop.
Mijn eigen waardenkaders: vanuit welke waarden en normen kijk ik tegen deze 3 grootheden aan?
- Persoonsopvatting: hoe kijk ik naar de personen/cliënten? Blz. 128 Ik zie cliënten als individuen die in elk opzicht uniek is
en van elkaar verschillen. Zij kunnen zichzelf ontwikkelen op lichamelijk en geestelijk gebied, maar ook sociaal gebied
bijvoorbeeld werk. Ik zie een persoon en probleem van de persoon altijd los van elkaar. Iemand kan zich namelijk blij
voordoen maar depressief zijn. Ik vind het daarom belangrijk ook goed naar de persoon te kijken en niet naar de
ziekte/stoornis. Ik vind het belangrijk dat personen voor zichzelf opkomen en zeggen wat zij willen zeggen, dat zij eerlijk
zijn. Ik vind dat je hiermee het meest bereikt en als een cliënt duidelijk verteld wat hij/zij wilt dan gaat het altijd volgens
verwachtingen en mening volgens de cliënt.
- Maatschappijopvatting: hoe denk ik over de maatschappij? Blz. 125 Ik vind het belangrijk dat iedereen zich veilig en vrij
voelt, vrij om te leven en vrij van meningsuiting. Ik vind het belangrijk dat er veel gepraat wordt en de hulpverlening op
deze manier voor sommige mensen minder ‘taboe’ wordt. Op deze manier kunnen veel meer mensen geholpen worden
met lichamelijke en psychische problemen. Gelijkheid tussen de ‘Nederlanders’ en de ‘vluchtelingen’ en tussen mannen en
vrouwen. Dat iedere burger opkomt voor zijn eigen rechten en plichten.
- Professieopvatting: Wat is mijn opvatting over wat ik als hulpverlener wil bereiken met de cliënt/ wat maakt mij een
goede hulpverlener? Blz. 131 Ik richt mij als hulpverlener vooral op de gedragingen, situatie en de omgeving van de cliënt.
Ik kijk vooral naar waar de mogelijke oorzaken en problemen liggen en wil dit aanpakken door het psychisch functioneren
van de cliënt opnieuw te bevorderen. Vaak liggen problemen binnen het gezin aan meerdere leden van het gezin en niet
alleen aan de cliënt. Ik wil hierbij dus naar de gedragingen kijken volgens de leertheorie en naar het gezin als systeem
volgens de systeembenadering.
Mijn referentiekader: Iedereen is uniek en ik vind het erg belangrijk dat er goed naar de persoon als persoon gekeken
wordt en niet alleen naar het probleem. Ik vind het belangrijk dat iedereen geaccepteerd wordt ook als het minder goed
met een cliënt gaat. Ik vind het belangrijk dat naasten van cliënten meedenken en de cliënt steunen, hierbij kun je een
beetje denken aan civiel society, het zorgen voor elkaar. Vandaar dat mijn keuze ook uitgaat naar de systeembenadering.
Ik vind het belangrijk dat binnen een gezin goed over problemen gepraat wordt en op deze manier ook op elkaar kunnen
steunen. Ik vind het belangrijk dat hulpverlening normaal gezien wordt en niet als taboe, in veel culturen en vaak mannen
zien het nog als een schande om hulp te zoeken. Ik vind dit juist belangrijk want als je dit niet doet kan het alleen maar
slechter met je gaan, hierdoor gebeuren er vaak suïcide ongelukken.
, Eclectisch integratief: meerdere visies bij elkaar; maatschappijvisie, eigen referentiekader, gedrag, communicatie. Dit
allemaal vormt één geheel = meta visie. Je beperkt je niet tot één richting, stroming, theorie of methodiek maar kiest elke
keer opnieuw uit verschillende stromingen ofwel benaderingen. Blz. 138.
De student kan in complexe situaties met gebruik van het basismodel agogische benaderingen selecteren. Blz 101
Gezinsbenadering, groepswerk, netwerkbenadering, taakgerichte benadering, sociaal casework en psychosociale therapie.
De student heeft inzicht in de dynamiek tussen de interactie ontwikkeling, cliëntontwikkeling en de
probleemafwikkeling. Zie hiervoor het basismodel in het boek= blz, 67, 70 en 73
Interactieontwikkeling: contactlegging met cliënt, opbouwing, werkrelatie en initiatief hulpverlener. Cliëntontwikkeling:
hoe reageert de cliënt op de hulpverlening; bewust of niet bewust van het probleem? Accepteert de cliënt de hulp?
Bereidheid tot aanpakken en daadwerkelijk stappen zetten. Het gaat bij cliëntontwikkeling om een ontwikkeling in de
manier waarop de cliënt binnen de interactie omgaat met het hebben van een probleem en de noodzaak hulp te vragen.
Cirkel van Prochaska. Blz 67 en 70 Probleemafwikkeling: intake; wat is het probleem wat zijn de belemmeringen? Doel
formulering, strategie bepalen interventie kiezen en uitvoeren.
Blz. 27
Aspire model > algemeen model van probleemaanpak of probleemoplossing ASPIRE proces bestaat uit vier fasen: 1.
ASsment 2. Plan 3. Implement 4. Review and Evaluation
Blz. 29
Somatische constellatie > lichaam en functies stellen je in staat om te leven. Dit geeft ook je grenzen aan. Psychische
constellatie > je ontwikkeling heeft er voor gezorgd dat je kan waarnemen, denken, voelen, beleven, streven, anderen
begrijpen en aanvoelen, communiceren en doelgericht handelen.
Wanneer je in beide constellaties een structuur vindt, leef je in situaties. Leven, functioneren en handelen vindt plaats in
concrete situaties
Blz. 30
Interne afstemming > proces met de cliënt waarin je onderzoekt naar cognities en gevoelens (persoonlijke
controle/regulering)
Externe afstemming > privésfeer in combinatie met publieke sfeer
Het problematische met betrekking tot psychosociaal functioneren kan gelegen zijn in verschillende punten. Je bevindt je
op de onderstaande 3 afstemmingen van de cliënt: - de persoon zelf - de maatschappij - de omgeving
Blz. 33
Empowerment > het vergroten van iemands vaardigheid om in een bepaalde situatie op een bepaald moment een
bepaalde taak aan te kunnen.
Blz. 35
Persoon is subjectief, iedereen is anders Situatie is objectief, er zitten feiten in Naast de persoon en de situatie, kijk je
naar de interactie.
Blz. 47
De aandacht van de sociaal werker is gericht op probleemcomponenten: subjectieve en objectieve Subjectieve
component is het handelen of functioneren van de persoon (gedachten, gevoelens, belevingen, strevingen en
gedragingen) dit is immaterieel.
Objectieve component is de situatie waarbinnen dit handelen of functioneren zich afspeelt. Kent materiële (inkomen,
huisvesting) en immateriële aspecten (sociale relaties, maatschappelijke normen, regels en wetten).