Je gebruikt de past continuous om aan te geven dat iets
[B1] Je gebruikt de past simple om aan te geven dat
in het verleden op een bepaald moment aan de gang
iets in het verleden plaatsvond of gebeurde (‘toen’).
was.
verleden nu toekomst
verleden nu toekomst
|-------------x---------------|---------------------|
|---------xxxxxxxx----------|--------------------|
gebeurtenis
gebeurtenis
Victoria watched an episode of her favourite It was Friday evening. Victoria was watching an
TV show last night. episode of her favourite TV show.
Het was vrijdagavond. Victoria zat een
Victoria heeft gisteren een aflevering van
aflevering te kijken van haar favoriete tv-
haar favoriete tv-programma gekeken.
programma.
Jimmy was playing football early on Saturday
Jimmy played football when he was little.
morning.
Jimmy was aan het voetballen vroeg op de
Jimmy speelde voetbal toen hij klein was.
zaterdagochtend.
Je gebruikt de past simple en de past continuous samen in een zin om aan te geven dat iets gebeurde
(simple) terwijl iets anders al aan de gang was (continuous).
past simple
|---------------------x-----------------------|
< --------- past continuous ----------->
Het gaat in deze constructie vaak om een onderbreking: de ene, kortere activiteit (in de past simple)
onderbreekt de andere, langere activiteit (in de past continuous). Vaak staat
het voegwoord when dan in de zin om dit contrast duidelijk te maken.
Victoria was watching an episode of her favourite TV show when someone rang the doorbell.
Victoria zat een aflevering van haar favoriete tv-programma te kijken toen er iemand aanbelde.
Jimmy was playing football when the accident happened.
Jimmy was aan het voetballen toen het ongeluk gebeurde.