Hoofdstuk 15 Economische relaties
De economische kringloop geeft de transacties tussen de verschillende sectoren weer:
gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland. Ook toont de economische kringloop dat
productie, inkomen en bestedingen in de economie aan elkaar gelijk zijn.
De tabel met kerngegevens bevat van een aantal variabelen de voorspellingen voor de
komende jaren.
Deze tabel ligt aan de basis van veel beleidsbeslissingen van overheden en ondernemingen.
Het zijn de uitkomsten van berekeningen met modellen die de belangrijkste macro-
economische variabelen bevatten.
§1 Economische kringloop
Eenvoudige kringloop
Een economische kringloop bevat de geldstromen tussen de sectoren gedurende een
bepaalde periode.
De kringloop brengt tot uitdrukking dat de uitgaande geldstromen van een bepaalde sector
de inkomende geldstromen vormen van de andere sectoren. Consumptieve uitgaven van
de gezinnen komen bijvoorbeeld terecht bij de sector bedrijven. In de economische kringloop
zijn de totale uitgaven van de sectoren dan ook gelijk aan de totale inkomsten. Een
eenvoudige kringloop kun je weergeven als in de figuur hieronder. Deze heeft 2 sectoren:
gezinnen en bedrijven.
In de figuur zijn de belangrijkste variabelen weergegeven die te maken hebben met de
productie en bestedingen. De linkerzijde heeft betrekking op het aanbod in de economie:
het binnenlands product.
Aan de rechterzijde staan de bestedingen en besparingen.
In de kringloop zijn 2 sectoren opgenomen en zijn alleen de geldstromen tussen de sectoren
te zien. De gezinnen stellen productiefactoren ter beschikking aan de bedrijven en
ontvangen daarvoor loon, rente en winst. Dat is te zien aan de geldstroom van bedrijven
naar gezinnen. De gezinnen ontvangen deze beloning van de productiefactoren. Samen
vormen zij het netto binnenlands product tegen factorkosten (nbp fk ). De gezinnen geven dit
geld gedeeltelijk uit aan consumptiegoederen en deels sparen zij het. De besparingen zijn in
deze kringloop een uitgaande geldstroom van gezinnen die bij de bedrijven terechtkomt.
Ondernemingen willen investeren door kapitaalgoederen te kopen van andere
ondernemingen. Zij moeten daarvoor betalen, maar ze hebben al het geld uitgekeerd aan de
, gezinnen in de vorm van loon, rente en winst. Zij kunnen alleen aan het benodigde geld
komen door van de gezinnen te lenen. Dat kan ook, want gezinnen sparen juist het bedrag
dat nodig is voor netto-investeringen. Aangezien nu de inkomende en uitgaande
geldstromen van de 2 sectoren aan elkaar gelijk zijn, is de kringloop in evenwicht.
De economische kringloop van de EU
De productie en bestedingen leiden tot inkomsten en uitgaven van de sectoren
consumenten, bedrijven, overheid en buitenland. De geldstromen die ermee gepaard gaan
noem je transacties. In een economische kringloop geef je de geldstromen tussen de
sectoren gedurende een bepaalde periode weer. Ook deze kringloop brengt tot uitdrukking
dat de uitgaande geldstromen van een bepaalde sector de inkomende geldstromen
vormen van de andere sectoren. Consumptieve uitgaven van de gezinnen komen
bijvoorbeeld bij de sector bedrijven terecht. In de economische kringloop zijn de totale
uitgaande geldstromen van de sectoren dan ook gelijk aan de totale inkomende
geldstromen.
In de figuur hieronder zijn de belangrijkste variabelen weergegeven die met de productie en
bestedingen te maken hebben. De linkerzijde heeft betrekking op het aanbod in de
economie, het binnenlands product en de import. Aan de rechterzijde zijn de bestedingen
te zien.
Er zijn 4 sectoren: consumenten, overheid, bedrijven en buitenland. Elke sector heeft zijn
eigen taken in de productie of de besteding van het inkomen. Deze taken zijn gemakkelijk uit
de economische kringloop af te lezen.
De bedragen die hieronder zijn weergegeven komen in grote lijnen overeen met de
economie van de EU in 2018. De bedragen zijn in miljarden euro’s.
De 2 sectoren die produceren zijn de overheid en bedrijven. Zij vervaardigen de goederen
en diensten. Voor deze productie hebben ze productiefactoren nodig, die ze kopen van de
sector gezinnen. Dit zijn arbeid, kapitaal en natuur. De ondernemingen en overheid betalen
daarvoor loon, winst en rente. De gezinnen ontvangen deze bedragen als hun inkomen.
Opgeteld vormen ze het nbp fk . De waarde van de productie is gelijk aan het nbp fk .
Als ondernemingen minder producten verkopen dan zij van tevoren verwachtten, hebben ze
dus te veel productiefactoren aangetrokken. Ze hebben te veel kapitaalgoederen en
werknemers in de onderneming, maar ze zullen daarvoor toch de beloning moeten betalen.
Daardoor hebben ze minder winst. Winst is een onderdeel van het nbp fk , dus ook het nbp fk