Hoofdstuk 1, 2, 3, 4 en 14
Jaar 1 Social Work 2022-2023
Hoofdstuk 1:
Algemene maatregel van bestuur: Koninklijk besluit dat rechtsregels bevat
Aanvullend recht: Rechtsregels die alleen gelden als specifieke afspraken tussen
partijen ontbreken
Arrest: Uitspraak van het gerechtshof of van de Hoge Raad
Dwingend Recht: Rechtsregels waarvan partijen niet mogen afwijken
Gemeenschapsverordeningen en richtlijnen: Regelingen die door organen van de
Europese Unie zijn vastgesteld en die in de EU-lidstaten gelden
Juridisering van de maatschappij: In regels vastleggen van veel situaties
Jurisprudentie: Uitspraken van rechters
Klassieke grondrechten: Rechten van een individu waarop de overheid alleen
inbreuk mag maken als de wet haar dat toestaat
Koninklijk Besluit: Regeling of ander besluit afkomstig van de regering
Ministeriële regeling: Regeling afkomstig van een minister
Objectief recht: Alle geschreven en ongeschreven regels
Rechtsbron: Vindplaats van het recht
Rechtsregels: Regels die zijn vastgelegd in rechtsbronnen
Semi-dwingend recht: Rechtsregels waarvan alleen ten gunste van de andere partij
mag worden afgeweken
Sociale grondrechten: Rechten van een individu die door de overheid zo goed
mogelijk bereikbaar moeten worden gemaakt
Subjectief recht: Recht dat aan iemand persoonlijk is toegekend
Verdrag: Afspraak tussen 2 of meer staten die op schrift is gesteld en die geldt in de
staten die partij zijn bij het verdrag
Verordening, provinciaal of gemeentelijk: Regeling afkomstig van de Provinciale
Staten of van de gemeenteraad
Wet: Regeling afkomstig van de regering en de Stagen-Generaal
Wetsartikel: Genummerde bepaling in een wet
Rechten en plichten: wat wettelijk mag of moet in een land. Deze rechten en
plichten komen voort uit normen en waarden die algemeen gelden in de
maatschappij.
Normen: (on)geschreven gedragsregels die we vanzelfsprekend vinden; richtlijnen
hoe je sociaal gewenst met elkaar omgaat.
Waarden: persoonlijke overtuigingen, dingen die men belangrijk vindt en wat
goed/slecht is.
Rechtsregels: regels die zijn vastgelegd in rechtsbronnen.
Doelmatige ordening: regels, waardoor de samenleving optimaal functioneert.
Spelregels: afspraken over gedrag en handelingen.
Sturing gedrag: zorgen dat iemand iets doet of gaat doen, zoals aangegeven.
Rechtvaardigheid: juist en eerlijk handelen naar de situatie.
, Hoofdstuk 2:
Absolute competentie: Bevoegdheid van de rechter om te oordelen over
privaatrechtelijke, strafrechtelijke of bestuursrechtelijke geschillen.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur: Geschreven en ongeschreven
regels die de overheid dwingen om zich bij het gebruik van haar bevoegdheden
tegenover een burger behoorlijk te gedragen.
Arrondissement: Gebied dat bij een bepaalde rechtbank hoort.
Belanghebbende: Degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Beschikking: Besluit van een bestuursorgaan waarin aan een (rechts)persoon een
recht wordt verleend of geweigerd of waarin een plicht wordt opgelegd.
Bestuursorgaan: Orgaan van de overheid, of anderszins met openbaar gezag
bekleed, met bestuursbevoegdheid.
Bestuursrechter: Rechter die oordeelt over geschillen met bestuursorgaan.
Cassatie: Beroep op de Hoge Raad om een oordeel of de lagere rechters het recht
juist hebben toegepast.
Conclusie: Schriftelijk stuk in een gerechtelijke procedure waarin de eis is
beschreven of een reactie op datgenen wat door de tegenpartij wordt gesteld.
Dagvaarding: Oproep van een eiser aan een gedaagde om op een bepaalde dag
voor de rechter te verschijnen.
Executoriale titel: Vonnis van de rechter dat de partij die in het gelijk is gesteld kan
laten uitvoeren door een deurwaarder.
Formeel recht: Het recht dat aangeeft hoe het materiële recht kan worden
gehandhaafd.
Functioneel rechtsgebied: Rechtsgebied met regels over een bepaald onderwerp. ,
bijvoorbeeld werk, huur, jeugd, gezondheid of sociale
zekerheid die vaak zowel privaatrechtelijk als publiekrechtelijke onderdelen kennen.
Hoge Raad: Hoogste rechter in Nederland
Hoorzitting: Bijeenkomst van een Commissie voor bezwaarschriften waar degene
die bezwaar heeft gemaakt tegen een beschikking zijn bezwaar kan toelichten.
Materieel recht: Het recht dat inhoud van rechten en plichten weergeeft.
Mediation: Vorm van geschillenbeslechting waarbij partijen samen onder
begeleiding van een mediator een oplossing zoeken voor hun geschil.
Partijautonomie: Uitgangspunt in het privaatrecht dat partijen zelf kunnen besluiten
of zij hun geschil aan de rechter willen voorleggen en zelf bewijzen moeten
aandragen om de rechter te kunnen overtuigen.
Procesrecht: Formeel recht
Rechter in eerste aanleg: Rechter aan wie een zaak voor de eerste keer wordt
opgelegd.
Rechter in tweede aanleg: Rechter aan wie de zaak in hoger beroep wordt
voorgelegd.
Rechterlijke macht: Rechterlijke organisatie in NL bestaande uit de rechtbank, het
gerechtshof en de Hoge Raad.
Rechtspersoon: Organisatie die net als een natuurlijk persoon rechten en plichten
heeft en zelfstandig kan deelnemen aan het rechtsverkeer.
Rechtsvordering: Actie waarbij iemand vordert (eist) waarop hij recht meent te
hebben.