MOTIVATIE EN EMOTIE
TAAK 5: UNCONSCIOUS GOAL PURSUIT
Blokboek: Clark Hull: ons lichaam wil altijd in balans zijn (homeostase), als die balans verstoord is voel je
altijd de nood om je te gedragen op een manier zodat die balans hersteld wordt. Op zo’n moment kan je
dus ook geen rationele beslissingen maken.
Freud: seksuele verlangen is de belangrijkste motivator voor ons gedrag. Het onbewuste is hier heel
belangrijk want hier worden die seksuele verlangens opgeslagen.
Onbewuste doelen kunnen dus ons gedrag beïnvloeden. Dit wordt vaak onderzocht door een priming
paradigma. Of je een doel nastreeft of niet is afhankelijk van de (positieve) waarde die je toeschrijft aan
de goal state.
HIER MOET JE GEEN HERSENGEBIEDEN KENNEN!
Aarts – on the emergence of human goal pursuit: the nonconscious regulation and motivation of goals
The role of habits in nonconscious goal pursuit
Doelen zijn mentale representaties van iets wat je verlangt of belangrijk vindt m.b.t. gedrag (vb oplossen
van puzzels, goed presteren, sociaal zijn) of uitkomsten (geld winnen, trots zijn) die al op voorhand
bestaan in je langetermijngeheugen (LTM) hierdoor kan je concrete acties bepalen door te kijken
naar de gevolgen/effecten ervan, dit kan dan ook je gedrag sturen/aanpassen. Vb socialiseren kan je zien
als het gevolg van afspreken met vrienden. Doelen kunnen ook deel zijn van je kennis (acties, objecten,
procedures, opportuniteiten) die je helpen om het doel na te streven, maar deze bestaat ook uit
situationele/contextuele kenmerken die te maken hebben met het doel. Vb: het doel van socialiseren
kan te maken hebben met het drinken van bier in je favoriete bar. Dit zorgt dat je kan reageren op je
doelen zonder intentioneel bepaalde verwachtingen te controleren/vormen, deze worden gevormd door
ervaring en indirect leren (invloed van anderen) doelgericht gedrag kan beginnen buiten het
bewustzijn omdat je kan steunen op doelrepresentaties die geprimed zijn door en in interactie staan met
gedrags- en contextuele info.
Om het nastreven van een doel automatisch te maken, moet je die actie vaak uitvoeren. Hierdoor krijg je
genoeg ervaring en ook de juiste skills ervoor (kan je het efficiënter uitvoeren). Als je eenzelfde
doelgericht gedrag frequent en consistent uitvoert worden die acties geassocieerd met het doel, en
wordt dit dus een gewoonte. Als erna het doel geactiveerd wordt, worden ook die gelinkte acties
automatisch geactiveerd (als een soort als-dan regel). Hierdoor reageer je al onbewust op iets. Dit is dus
gewoon omdat je vaak iets uitvoert dat de verbinding ertussen sterker wordt. Vb altijd dezelfde route
rijden naar de uni gebeurt na een tijd automatisch, hoef je niet meer na te denken over de weg.
Hiërarchisch: activatie van het doel -> activatie van geassocieerde gedragingen en skills lager n de
hierarchie -> die gedragingen worden gecontroleerd door een feedback proces waardoor motorische
acties aangepast kunnen worden als er veranderingen in de omgeving zijn. Een doel maakt de persoon
dus klaar om automatisch te reageren op een stimulus. Doelen (naar het werk gaan) kunnen dus direct
bepaalde middelen (je auto gebruiken) activeren en ook de bijbehorende actie (diezelfde route naar je
1
TAAK 5: UNCONSCIOUS GOAL PURSUIT
Blokboek: Clark Hull: ons lichaam wil altijd in balans zijn (homeostase), als die balans verstoord is voel je
altijd de nood om je te gedragen op een manier zodat die balans hersteld wordt. Op zo’n moment kan je
dus ook geen rationele beslissingen maken.
Freud: seksuele verlangen is de belangrijkste motivator voor ons gedrag. Het onbewuste is hier heel
belangrijk want hier worden die seksuele verlangens opgeslagen.
Onbewuste doelen kunnen dus ons gedrag beïnvloeden. Dit wordt vaak onderzocht door een priming
paradigma. Of je een doel nastreeft of niet is afhankelijk van de (positieve) waarde die je toeschrijft aan
de goal state.
HIER MOET JE GEEN HERSENGEBIEDEN KENNEN!
Aarts – on the emergence of human goal pursuit: the nonconscious regulation and motivation of goals
The role of habits in nonconscious goal pursuit
Doelen zijn mentale representaties van iets wat je verlangt of belangrijk vindt m.b.t. gedrag (vb oplossen
van puzzels, goed presteren, sociaal zijn) of uitkomsten (geld winnen, trots zijn) die al op voorhand
bestaan in je langetermijngeheugen (LTM) hierdoor kan je concrete acties bepalen door te kijken
naar de gevolgen/effecten ervan, dit kan dan ook je gedrag sturen/aanpassen. Vb socialiseren kan je zien
als het gevolg van afspreken met vrienden. Doelen kunnen ook deel zijn van je kennis (acties, objecten,
procedures, opportuniteiten) die je helpen om het doel na te streven, maar deze bestaat ook uit
situationele/contextuele kenmerken die te maken hebben met het doel. Vb: het doel van socialiseren
kan te maken hebben met het drinken van bier in je favoriete bar. Dit zorgt dat je kan reageren op je
doelen zonder intentioneel bepaalde verwachtingen te controleren/vormen, deze worden gevormd door
ervaring en indirect leren (invloed van anderen) doelgericht gedrag kan beginnen buiten het
bewustzijn omdat je kan steunen op doelrepresentaties die geprimed zijn door en in interactie staan met
gedrags- en contextuele info.
Om het nastreven van een doel automatisch te maken, moet je die actie vaak uitvoeren. Hierdoor krijg je
genoeg ervaring en ook de juiste skills ervoor (kan je het efficiënter uitvoeren). Als je eenzelfde
doelgericht gedrag frequent en consistent uitvoert worden die acties geassocieerd met het doel, en
wordt dit dus een gewoonte. Als erna het doel geactiveerd wordt, worden ook die gelinkte acties
automatisch geactiveerd (als een soort als-dan regel). Hierdoor reageer je al onbewust op iets. Dit is dus
gewoon omdat je vaak iets uitvoert dat de verbinding ertussen sterker wordt. Vb altijd dezelfde route
rijden naar de uni gebeurt na een tijd automatisch, hoef je niet meer na te denken over de weg.
Hiërarchisch: activatie van het doel -> activatie van geassocieerde gedragingen en skills lager n de
hierarchie -> die gedragingen worden gecontroleerd door een feedback proces waardoor motorische
acties aangepast kunnen worden als er veranderingen in de omgeving zijn. Een doel maakt de persoon
dus klaar om automatisch te reageren op een stimulus. Doelen (naar het werk gaan) kunnen dus direct
bepaalde middelen (je auto gebruiken) activeren en ook de bijbehorende actie (diezelfde route naar je
1