1. Wat is het onderscheid tussen een voedingsmiddel en een voedingsstof?
Een voedingsmiddel, iets eetbaars zoals brood of een appel, bevat voedingsstoffen
(nutriënten). Voedingsmiddelen kunnen ook andere stoffen bevatten, zoals kleurstoffen
en smaakstoffen.
2. Noem zes types van voedingsstoffen
Water, vitaminen, mineralen, eiwitten, koolhydraten, vetten, (zuurstofgas)
3. Geef telkens een voorbeeld van het voorkomen van elk van de zes types van
voedingsstoffen.
Zuurstofgas: Lucht
In water oplosbare vitaminen (B, C): voedingsvezels, groenten, fruit
Mineralen: Praktisch in alle voedingsmiddelen. Melk – calcium, rood vlees – ijzer, zeevis en
zeevruchten - Jood
Eiwitten: Vlees, vleesvervangers, vis, peulvruchten, melk, kaas en eieren
Koolhydraten: groente, fruit, graanproducten en aardappelen
Vetten/ in vet oplosbare vitaminen (A, D, E, K): Smeer- en bereidingsvetten, zoals
boter en margarine, plantaardige oliën en visoliën.
4. Geef een overzicht van de verschillende functies van voedingsstoffen.
Brandstof: Vetten en koolhydraten
Bouwstof: Eiwitten
Regulerende stoffen (weerstand, goede werking): Vitaminen, mineralen en voedingsvezels
(darmwerking)
5. Hoe worden voedingsstoffen ingedeeld?
Macronutriënten: energierijke voedingsstoffen, die in grote hoeveelheden in onze voeding
voorkomen, namelijk koolhydraten, vetten en eiwitten.
Micronutriënten: voedingsstoffen die weinig in ons voedsel voorkomen en geen energie
leveren, namelijk vitaminen en mineralen. Van sommige mineralen is maar een kleine
hoeveelheid nodig: sporenelementen
De onmisbare stoffen water en zuurstofgas nemen een aparte plaats in.