Hoofdstuk 1: Mensen, arbeid, organisaties
Paragraaf 1.1: Arbeid, werk en meer werk
De vragen die we onszelf stellen in dit vakgebied:
1) Waarom werkt het wel?
2) Waarom werkt het soms (vaak?) niet, of zou het bepaald beter kunnen?
3) Kunnen we ellende voorkomen en dingen verbeteren als dat nodig is en hoe doen we dat dan?
De organisatiepsychologie focust zich op de mens in dit hele proces. Dit hangt samen met collega’s, chef’s en
klanten, de taak die we uitvoeren en de organisatie (incl. arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden).
Paragraaf 1.2: Interesse en belangen
Waarom zijn deze inzichten belangrijk?
1) We zien dit als een uitdaging: er is nog veel onduidelijk en er komen steeds nieuwe inzichten.
2) Het is van belang dat mensen en organisaties goed functioneren. Welke ‘voorwaarden’ zijn hiervoor
belangrijk en waar liggen de accenten?
Vaststelling van de feiten (objectief) vs. waardering van feiten (subjectief)
Paragraaf 1.3: Twee typen modellen
Er zijn twee typen modellen die ingezet worden in de organisatiepsychologie:
1) Modellen die voornamelijk beschrijvend zijn en de dingen bekijken vanuit factoren en aspecten die van
belang zijn (vb. Leidse octaëder).
2) Modellen die aansluiten bij de waarderingsvraag, ze beschrijven het veld van belanghebbenden (vb.
shareholders-stakeholders-benadering en het partijenmodel).
Een model is een schematische voorstelling van een groter of kleiner deel van de werkelijkheid. Het heeft de
bedoeling een redenering te verduidelijken, een stuk bestaande kennis samen te vatten of een veronderstelling
te illustreren die we over de werkelijkheid hebben. In de eenvoudigste vorm bestaat een model uit twee
elementen waartussen de maker denkt dat een bepaalde relatie bestaat.
De Leidse octaëder
Dit model heeft op zichzelf geen wetenschappelijke pretentie. Het probeert structuur aan te brengen in de grote
groep verschijnselen en daarnaast aan te geven dat de genoemde verschijnselen onderling samenhangen. De
elementen moeten steeds in onderlinge relatie bestudeerd worden. De precieze relatie is (nog) niet verder
gespecificeerd, vandaar dat er geen pijltjes staan. Het model beeldt organisaties af als open systemen die een
uitwisselingsrelatie hebben met hun omgeving.
De octaëder (het Leidse achtvlak) is ontwikkeld door Demenint, Van der Vlist en Allegro (1989). De gedachte
erachter is dat voor een goed begrip van het functioneren van organisaties gekeken moet worden naar zes
clusters van variabelen die onderling samenhangen en elkaar beïnvloeden (zie figuur 1.1). Elk van de zes
hoekpunten levert een eigen bijdrage aan wat een organisatie kenmerkt en hoe die organisatie functioneert. De
cluster van variabelen in elke hoekpunt is mede bepalend voor de kenmerken in elk van de andere clusters. De
lijnen tussen de hoekpunten symboliseren deze samenhang.
1