De student
1. verwoordt welke deelvaardigheden nodig zijn voor een verantwoorde klinische redenatie.
Het is in feite het redeneren en beargumenteren van en communiceren over de beslissingen die
genomen moeten worden. Het klinisch redeneren is een denkpatroon voor ons als verpleegkundige.
1. Observeren
2. Interpreteren
3. Reageren
4. Reflecteren
2. laat zien welke leermiddelen mogelijk gebruikt kunnen worden binnen de lessen AFP.
Boek pathalogie, boek anatomie, carpenito, filmpjes en internet.
3. benoemt de relatie tussen klinisch redeneren en methodisch handelen.
Wanneer je klinisch redeneert handel je eigenlijk al methodisch, omdat je in bepaalde stappen
werkt? Daarna kijk je terug of je goed hebt gehandeld?
4. is zich bewust van de relatie tussen kennis van biomedisch domein en het klinische
besluitvormingsproces.
Wanneer je de juiste kennis hebt kun je deze toepassen in het klinische besluitvormingsproces.
Begrippen:
ADL= algemene dagelijkse levensverrichtingen
IADL= instrumentele algemene dagelijkse levensverrichtingen
HDL= huishoudelijke activiteiten van het dagelijks leven
Smetten: soort van uitslag, vaak tussen huidplooien (huid op huid)
Mictie=Plassen
Obstipatie: Verstopping in de darmen harde ontlasting
Agitatie= Onrust
Zingevingsproblemen: Veel nadenken over de zin van het leven
Automutilatie= zelfbeschadiging (bv. snijden, anorexia etc.)
Ineffectieve coping: een stoornis van het aanpassings- en probleemoplossende vermogen waarmee
de patiënt probeert aan de eisen en taken van het leven te voldoen.
Participatieprobleem: Iemand heeft moeite met deelnemen aan de maatschappij (het grote geheel)
Sociale incompetentie: Je hebt problemen met je sociaal gedrag. (het kleine geheel)
Leerdoelen les 2
De student
1. heeft kennis en maakt gebruik van medische terminologie
Medische terminologie = medische vaktaal