Via de uitscheidingsorganen vind de afvoer plaats van de stoffen die het lichaam
niet meer kan gebruiken. Het lichaam heeft verschillende uitscheidingsorganen. De
nieren scheiden urine uit, de longen koolzuurgas en waterdamp en de
zweetklieren transpiratievocht.
De nieren regelen de samenstelling en de hoeveelheid lichaamsvloeistoffen, met
als doel deze constant te houden. Ze scheiden schadelijke stoffen en water en zout
uit en regelen de zuurgraad van het bloed.
Van binnen naar buiten zijn de nieren opgebouwd uit: kapsel, de nierschors,
niermerg en het nierbekken. Het kapsel beschermt de nier. In de nierschors liggen
de lichaampjes van Malpighi. In het niermerg ligt de tubulus die over gaat in de Lis
van Henle. Het nierbekken vangt urine op.
Via de slagaderlijke haarvaatjes in de lichaampjes van Malpighi vind filtratie van het
bloed plaats. Opgeloste stoffen uit het bloed gaan, onder invloed van de bloeddruk
en osmotische druk, naar het kapsel van Bowman. Hierdoor ontstaat voorurine. In
de lis van Henle vind resorptie van de nuttige stoffen uit de voorurine plaats.
Resorptie is het terug zuigen van de stoffen in de bloedbaan. De afvalstoffen blijven
achter en verlaten het lichaam via de urine.
Vanuit het nierbekken druppelt de urine via de urineleiders naar de blaas. De blaas
verzamelt de urine. Als in de blaas een bepaalde hoeveelheid urine zit, gaat er een
zenuwprikkel via het ruggenmerg naar de hersenen, waardoor de aandrang tot
plassen ontstaat. De urine verlaat het lichaam via de urinebuis.