Samenvatting scheikunde 13.5 en H14
13.5
Het equivalentiepunt = het moment in een titratiereactie waarin het aantal mol analiet (onbekend)
gelijk is aan het aantal mol titrant (bekend).
De voorwaarden om een titratie te kunnen uitvoeren -> reactie moet snel verlopen, reactie moet
aflopend zijn en equivalentiepunt moet zichtbaar/meetbaar zijn.
Eindpuntbepaling -> vaststellen dat equivalentiepunt is bereikt, bijvoorbeeld pH of temp meten.
Directe titratie -> analiet reageert direct met titrant, wanneer analiet op is, wordt hoeveelheid
titrant bepaald. Eindvolume - beginvolume = hoeveelheid toegevoegde titrant.
Indirecte titratie -> de analiet moet eerst omgezet worden in een andere stof die je wel kunt
titreten, kenmerkend is dat bij de eerste reactie een onnauwkeurige overmaat is toegevoegd en
dat het product hiervan wordt getitreerd.
Terugtitratie -> aan de analiet wordt een nauwkeurige overmaat toegevoegd, hoeveelheid
overmaat wordt bepaald mbv een titratie.
14.1
Van DNA kan mRNA worden gemaakt, bevat een kopie van erfelijke informatie voor bepaalde
celfunctie. Dit mRNA verlaat de celkern en wordt vervoerd naar de ribosomen in het ruw ER. De
ribosomen kunnen deze informatie gebruiken om eiwitten te vormen, in het golgi-apparaat worden
deze eiwitten verder afgemaakt, opgeslagen en gedistribueerd. In vacuolen worden eiwitten of
andere stoffen opgeslagen.
In geval van concentratieverschillen van een stof kan er diffusie of passief transport plaatsvinden
= nettotransport in de richting van de laagste concentratie.
Als de concentratie aan één kant van het celmembraan hoger moet zijn dan aan de andere kant,
is actief transport nodig = deeltje specifiek tegen de concentratieverschillen in naar de andere
zijde van membraan gepompt, transporteiwit nodig waarbij energie wordt toegevoerd.
Voor alle grote moleculen en ionen is een transporteiwit nodig, kleine ongeladen moleculen
kunnen door de celmembraan diffunderen.
14.2
De algemene formule van koolhydraten -> Cn(H2O)m
Kenmerkend aan koolhydraten is het grote aantal OH-groepen en dat ze in eenheden van
ringstructuren voorkomen.
Bij de koppeling van twee ringen (disacharide) reageren twee OH-groepen met elkaar onder
afsplitsing van een watermolecuul, waarbij een etherbinding ontstaat -C-O-C-.
In een monosacharide zijn de C-atomen genummerd vanaf C-atoom rechts van O-atoom in ring.
Monosachariden zijn ideaal om energie te vervoeren en te verbranden, maar minder geschikt om
energie in op te slaan. Als cel vol zit met glucose, zal er net zolang water de cel in diffunderen tot
de concentratie binnen en buiten de cel gelijk is (osmose), cel zwelt op en membraan scheurt.
Door polymerisatie van monosachariden zal de concentratie dalen.
Polysachariden kunnen meer of minder vertakt zijn, mensen slaan koolhydraten op in de vorm van
glycogeen = polysacharide uitsluitend opgebouwd uit glucosemonomeren. Polysacharide hebben
een belangrijke functie als bouwstof, niet goed oplosbaar in water daarom van belang voor opslag
14.3
Vetten zijn tri-esters van glycerol en drie vetzuren, organische carbonzuren met één
carboxygroep en een koolstofketen van meer dan drie C-atomen.
Als het H-atoom aan de COOH-groep ten gevolge van een zuur-basereactie is afgesplitst, blijft het
vetzuurrestion over, deze ionen krijgen het achtervoegsel -aation. De alcohol, glycerol, komt in de
naam terug als het voorvoegsel glyceryl-.
Doordat de koolstofketens in overhandigde vetzuren (plantaardig) bij de dubbele binding een knik
vormen, is het contactopp tussen de vetzuurmoleculen kleiner -> vormen onderling minder sterke
vanderwaalsbindingen en smeltpunt is lager dan van een verzadigd vetzuur met dezelfde lengte.
13.5
Het equivalentiepunt = het moment in een titratiereactie waarin het aantal mol analiet (onbekend)
gelijk is aan het aantal mol titrant (bekend).
De voorwaarden om een titratie te kunnen uitvoeren -> reactie moet snel verlopen, reactie moet
aflopend zijn en equivalentiepunt moet zichtbaar/meetbaar zijn.
Eindpuntbepaling -> vaststellen dat equivalentiepunt is bereikt, bijvoorbeeld pH of temp meten.
Directe titratie -> analiet reageert direct met titrant, wanneer analiet op is, wordt hoeveelheid
titrant bepaald. Eindvolume - beginvolume = hoeveelheid toegevoegde titrant.
Indirecte titratie -> de analiet moet eerst omgezet worden in een andere stof die je wel kunt
titreten, kenmerkend is dat bij de eerste reactie een onnauwkeurige overmaat is toegevoegd en
dat het product hiervan wordt getitreerd.
Terugtitratie -> aan de analiet wordt een nauwkeurige overmaat toegevoegd, hoeveelheid
overmaat wordt bepaald mbv een titratie.
14.1
Van DNA kan mRNA worden gemaakt, bevat een kopie van erfelijke informatie voor bepaalde
celfunctie. Dit mRNA verlaat de celkern en wordt vervoerd naar de ribosomen in het ruw ER. De
ribosomen kunnen deze informatie gebruiken om eiwitten te vormen, in het golgi-apparaat worden
deze eiwitten verder afgemaakt, opgeslagen en gedistribueerd. In vacuolen worden eiwitten of
andere stoffen opgeslagen.
In geval van concentratieverschillen van een stof kan er diffusie of passief transport plaatsvinden
= nettotransport in de richting van de laagste concentratie.
Als de concentratie aan één kant van het celmembraan hoger moet zijn dan aan de andere kant,
is actief transport nodig = deeltje specifiek tegen de concentratieverschillen in naar de andere
zijde van membraan gepompt, transporteiwit nodig waarbij energie wordt toegevoerd.
Voor alle grote moleculen en ionen is een transporteiwit nodig, kleine ongeladen moleculen
kunnen door de celmembraan diffunderen.
14.2
De algemene formule van koolhydraten -> Cn(H2O)m
Kenmerkend aan koolhydraten is het grote aantal OH-groepen en dat ze in eenheden van
ringstructuren voorkomen.
Bij de koppeling van twee ringen (disacharide) reageren twee OH-groepen met elkaar onder
afsplitsing van een watermolecuul, waarbij een etherbinding ontstaat -C-O-C-.
In een monosacharide zijn de C-atomen genummerd vanaf C-atoom rechts van O-atoom in ring.
Monosachariden zijn ideaal om energie te vervoeren en te verbranden, maar minder geschikt om
energie in op te slaan. Als cel vol zit met glucose, zal er net zolang water de cel in diffunderen tot
de concentratie binnen en buiten de cel gelijk is (osmose), cel zwelt op en membraan scheurt.
Door polymerisatie van monosachariden zal de concentratie dalen.
Polysachariden kunnen meer of minder vertakt zijn, mensen slaan koolhydraten op in de vorm van
glycogeen = polysacharide uitsluitend opgebouwd uit glucosemonomeren. Polysacharide hebben
een belangrijke functie als bouwstof, niet goed oplosbaar in water daarom van belang voor opslag
14.3
Vetten zijn tri-esters van glycerol en drie vetzuren, organische carbonzuren met één
carboxygroep en een koolstofketen van meer dan drie C-atomen.
Als het H-atoom aan de COOH-groep ten gevolge van een zuur-basereactie is afgesplitst, blijft het
vetzuurrestion over, deze ionen krijgen het achtervoegsel -aation. De alcohol, glycerol, komt in de
naam terug als het voorvoegsel glyceryl-.
Doordat de koolstofketens in overhandigde vetzuren (plantaardig) bij de dubbele binding een knik
vormen, is het contactopp tussen de vetzuurmoleculen kleiner -> vormen onderling minder sterke
vanderwaalsbindingen en smeltpunt is lager dan van een verzadigd vetzuur met dezelfde lengte.