Leerdoel 1: Wat is kindermishandeling en wat is kinderverwaarlozing?
Leerdoel 2: Hoe vaak komt het voor?
Leerdoel 3: Wat zijn de mogelijke oorzaken?
Leerdoel 4: Wat zijn de effecten?
Leerdoel 5: Wat zijn de verschillende opvoedstijlen?
Leerdoel 6: Wat kan je ertegen doen?
Alink, L. (2016). Kindermishandeling.
Definitie: kindermishandeling is ‘elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of
gewelddadige interactie met fysieke, psychische of seksuele aard die de ouders of andere
personen en opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van
onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of
dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in vorm van fysiek of psychisch letsel’.
Het gaat bij deze definitie dus zowel om dingen die ze doen, als dingen die ze niet doen maar
wel zouden moeten doen.
5 vormen mishandeling:
- Seksueel misbruik: seksueel misbruik of aanranding of het toelaten ervan.
- Fysieke mishandeling: opzettelijke lichamelijke mishandeling (methode niet relevant).
- Emotionele mishandeling: bewegingsbeperking, verbale dreigingen, uitschelden, kleineren.
- Fysieke verwaarlozing: weigeren lichamelijke zorg, uitstel noodzakelijke zorg,
weigering zorg kind, ontoereikend toezicht.
- Emotionele verwaarlozing: ontoereikende genegenheid, bewust toestaan ongepast
gedrag, weigering emotionele zorg, getuige huiselijk geweld, bewust toestaan chronisch
spijbelen, niet regristeren kind bij school, weigering gediagnosticeerde onderwijskundige.
Historische achtergrond: kindermishandeling komt al heel lang voor. De reactie van de
maatschappij en autoriteiten is echter sterk veranderd. In 1899 is de Nederlandsche Bond tot
Kinderbescherming ontstaan. Het staat pas sinds enkele decennia op de wetenschappelijke
agenda. Het battered-child syndrome heeft hierin een belangrijke rol gespeeld: kinderen
komen met letsel het ziekenhuis is en het verhaal van de ouders komt niet overeen.
Prevalentie: de eerste schattingen kwamen uit de VS met zo’n 50.000-70.000 slachtoffers. In
Nederland werd in 2005 op basis van rapportages professionals en het AMK een eerste
prevalentie opgesteld: 107.000 kinderen 30/1.000. Nieuwere schattingen geven 119.000 of
34/1.000. Het aantal meldingen bij het AMK was met 68% gestegen. Via zelfrapportage is het
in 2005 95 op de 1.000 kinderen. Dit was 5 jaar later 99 per 1.000 kinderen. Er zijn niet
minder slachtoffers in 2005, maar er werd minder gemeld.