DE HOORCOLLEGES
HOORCOLLEGE 1: INLEIDING BOUWPLAN
De definitie van het woord ‘bouwplan’ is in ons blok als volgt: De gemeenschappelijke kenmerken waaruit een
zoogdier, respectievelijk vogel zijn
opgebouwd.
NOMENCLATUUR
In de anatomie gebruiken we voor de richting
aanduidingen een aantal Latijnse termen:
Craniaal/Caudaal
Alles wat aan de kopzijde/ kontzijde
zit
Ventraal/Dorsaal
Alles wat aan de buikzijde/rugzijde
zit
Proximaal/Distaal
Alles wat dichtbij/ver weg van het
lichaam zit
Lateraal/Mediaal
Alles wat ver weg/dichtbij van de lichaams-as zit
Rostraal/Occipitaal
Alles wat helemaal vooraan (neus)/achteraan (achterhoofd) de kop zit
Algemeen gesproken bestaat het bouwplan van een willekeurig dier uit de kop en
hals, de thorax (borstkas), de abdomen (buik), de bekkenholte en extremiteiten.
De buikholte is volledig bekleed met peritoneum (buikvlies). Het peritoneum kan gezien worden als een
opgeblazen ballon, die gevangen ligt in de buikholte. Organen die in je buikholte liggen kunnen door dit
peritoneum zowel intra-peritoneaal als retroperitoneaal liggen. De organen liggen intra-peritoneaal als ze in
de ruimte liggen, die omsloten is door deze ballon (peritoneum), waaraan ze zijn opgehangen door een
ophangband. Dit zijn bijvoorbeeld de darmen. De organen liggen daarentegen retroperitoneaal als ze niet in de
ballon zelf liggen, maar er van buitenaf indrukken: ze liggen achter het peritoneum. Dit zijn bijvoorbeeld de
nieren.
Het bouwplan van vogels verschilt van die van zoogdieren: ze hebben veren, hebben een aangepast skelet,
kennen geen onderverdeling in thorax en abdomen en beschikken over luchtzakken.
1