Wat is Ontwikkelingspsychologie?
De wetenschappelijke studie naar patronen van groei, verandering en stabiliteit van conceptie tot
aan de ouderdom.
Van conceptie tot ouderdom:
• Prenatale periode (conceptie tot geboorte)
• Baby (0-3 jaar)
• Peuter- kleutertijd (3-6 jaar)
• Schooltijd (6-12 jaar)
• Adolescentie (12-20 jaar)
• Volwassenheid (20+)
Thema’s binnen Ontwikkelingspsychologie:
Fysieke ontwikkeling;
- Invloed hersenen, zenuwstelsel, spieren, zintuigen en behoefte aan eten, drinken en slaap op
ons bedrag.
Persoonlijkheids- en sociale ontwikkeling;
- Ontwikkeling, verandering van sociale relaties en interactief met anderen.
- Eigenschappen die de ene van de andere persoon onderscheiden.
- Duurzame eigenschappen van een persoon.
Cognitieve ontwikkeling;
- Leren, geheugen, taal, oplossen van problemen, intelligentie.
Continue versus discontinue verandering:
Continue;
Geleidelijk ontwikkelproces
Discontinue;
Soms abrupt verlopend ontwikkelingsproces (elk nieuw stadium levert kwalitatief ander gedrag op)
Kritieke versus gevoelige periodes:
Kritieke periode;
Een specifieke tijd in de ontwikkeling waarin een bepaalde gebeurtenis de grootste impact heeft.
Gevoelige periode;
Moment waarbij sprake is van extra ontvankelijkheid voor invloeden van de omgeving, hoeft niet
altijd omkeerbaar te zijn.
Nature versus nurture:
Nature;
Eigenschappen, vermogens en capaciteiten die kinderen van hun ouders erven. Maturatie: het
proces van het zicht geleidelijk ontvouwen van voorbestemde genetische informatie.
Nurture; omgevingsinvloeden die ons gedrag bepalen.
, Hoorcollege; hoofdstuk 2
Psychodynamische perspectief:
Gebeurtenissen in de kindertijd (onbewuste drijfveren) beïnvloeden iemands gedrag gedurende zijn
hele leven.
Voorbeeld;
Vriendschappen hoeven niet groot te zijn heeft je vader vertelt, zo onbewust nooit veel vrienden
gehad.
Psychoanalytische theorie;
Voorbeeld;
Wanneer een kind ervaart dat hij/zij tekort aandacht krijgt van de opvoeders, het kind dit ‘tekort’ kan
compenseren door later aandacht te vragen aan bv. een juf of partner.
Grondlegger: Freud
Psychosociale theorie;
De veranderingen in onze interacties met anderen en in hoe we aankijken tegen het gedrag van
anderen tegen onszelf als leden in de maatschappij.
Grondlegger: Erikson
Behavioristisch perspectief:
De nadruk ligt op waarneembaar gedrag en externe gebeurtenissen (stimuli). Bestaat uit twee
onderdelen;
Klassieke conditionering:
Er is sprake van klassieke conditionering wanneer een organisme op een bepaalde manier leert
reageren (respons) op een neutrale gebeurtenis (stimuli).
De nadruk ligt op direct waarneembaar gedrag.
Voorbeeld:
Wanneer iemand gebeten is door een hond en vervolgens automatisch gaat zweten op het moment
dat ze andere honden ziet.
Dus: wanneer je op een bepaalde manier leert reageren op een neutrale gebeurtenis.
Grondlegger: Pavlov
Operante conditionering:
Operante conditionering gaat ervan uit dat je leert door positieve/ negatieve bekrachtigers die
volgen op bepaald gedrag.
Leren door:
- Straffen
- Belonen
- Negeren
Dit kan positief en negatief benaderd worden.
Voorbeeld: Wanneer een hond binnen plast, krijgt ‘ie niks en wanneer de hond buiten plast, krijgt ‘ie
een snoepje.
Grondlegger: Skinner