voorbeeldzinnen:
1. Zelfstandig naamwoord (zn):
Een persoon, plaats, ding of idee.
Voorbeeld: De auto staat buiten.
2. Bijvoeglijk naamwoord (bn):
Geeft meer informatie over een zelfstandig naamwoord.
Voorbeeld: Een mooie zonsondergang.
3. Werkwoord (ww):
Duidt een actie, toestand of gebeurtenis aan.
Voorbeeld: Hij leest een boek.
4. Bijwoord (bw):
Geeft meer informatie over een werkwoord, bijvoeglijk naamwoord of
ander bijwoord.
Voorbeeld: Ze zingt mooi.
5. Voornaamwoord (vnw):
Wordt gebruikt ter vervanging van een zelfstandig naamwoord.
Voorbeeld: Hij komt later.
6. Voorzetsel (vz):
Geeft de relatie aan tussen twee woorden in een zin.
Voorbeeld: Ze loopt naar huis.
7. Tussenwerpsel (tw):
Drukt een emotie of reactie uit en staat vaak los van de rest van de zin.
Voorbeeld: Goh, dat is interessant.
8. Lidwoord (lidw):
Geeft aan of een zelfstandig naamwoord specifiek of algemeen is.
Voorbeeld: De kat is zwart.
9. Voegwoord (vw):
Verbindt woorden, zinnen of zinsdelen.
Voorbeeld: Ze houdt van lezen, maar ze heeft weinig tijd.
10. Wederkerend voornaamwoord (wv):
Geeft aan dat de handeling terugslaat op de handelende persoon.
Voorbeeld: Ze wast zich.
11. Onbepaald voornaamwoord (onbep vnw):
Vervangt een zelfstandig naamwoord zonder specifiek te zijn.
Voorbeeld: Iemand heeft mijn pen meegenomen.
12. Betrekkelijk voornaamwoord (betrek vnw):
Leidt een bijzin in en verwijst naar een zelfstandig naamwoord in de
hoofdzin.
Voorbeeld: De man, die daar staat, is mijn buurman.
, 13. Voorzetseluitdrukking (vz uitdr):
Een combinatie van voorzetsel en zelfstandig naamwoord of
voornaamwoord.
Voorbeeld: Hij is bang voor spinnen.
14. Rangtelwoord (rangt vnw):
Geeft de positie of volgorde van iets aan.
Voorbeeld: Ze eindigde op de derde plaats.
15. Hoofdtelwoord (hoofdt vnw):
Geeft het aantal aan zonder te verwijzen naar een specifiek object.
Voorbeeld: Ik heb vier appels.
16. Onpersoonlijk voornaamwoord (onp vnw):
Drukt een handeling uit zonder te verwijzen naar een specifieke
persoon.
Voorbeeld: Het regent.
17. Vergelijkend bijvoeglijk naamwoord (vergel bn):
Vergelijkt twee zelfstandige naamwoorden met behulp van 'dan' of 'als'.
Voorbeeld: Ze is groter dan haar broer.
18. Voorwaardelijk voegwoord (vzvw):
Leidt een voorwaardelijke bijzin in.
Voorbeeld: Ik ga mee, als het mooi weer is.
19. Vervoegd werkwoord (vzww):
Een werkwoord dat is aangepast aan de persoon, tijd en modus.
Voorbeeld: Hij werkt elke dag.
20. Onvervoegd werkwoord (onvzww):
Een werkwoord dat niet is aangepast aan de persoon, tijd en modus.
Voorbeeld: Het is leuk om te fietsen.
21. Samenstelling (samenst):
Een woord dat is samengesteld uit twee of meer woorden.
Voorbeeld: Zij draagt een zonnebril.
22. Afleiding (afled):
Een woord dat is afgeleid van een ander woord door het toevoegen van
een affix.
Voorbeeld: Onvriendelijk gedrag wordt niet getolereerd.
23. Vast voorzetsel (vz vast):
Een voorzetsel dat altijd met een bepaald woord wordt gebruikt.
Voorbeeld: Hij is in de kamer.
24. Infinitief (inf):
De onbepaalde vorm van een werkwoord.
Voorbeeld: Ze wil leren schilderen.
25. Gerundium (ger):
De vorm van een werkwoord die eindigt op '-ing' en wordt gebruikt als
een zelfstandig naamwoord.