periode 2:
Leerdoelen week 1:
1. Weet wat de plichtenethiek is (deontologie):
Plichtenethiek:
- Plichten of principes ethiek (deontologie):
De aard van de handeling, de manier waarop iets bereikt is, is moreel belangrijk,
niet het resultaat.
Rechten en plichten.
- Kritiekpunten:
In strijd met basale ethische intuïties.
De botsing van plichten.
2. Weet wat de gevolgenethiek is (consequentialisme):
Gevolgenethiek:
- Gevolgen ethiek (consequentialisme):
Alleen het resultaat telt, ongeacht de manier waarop.
Utilisme: het grootste nut voor het grootste aantal mensen.
- Kritiekpunten:
Doel heiligt de middelen.
De positie van minderheden.
In strijd met basale ethische intuïties.
3. Weet wat de deugdenethiek is:
Deugden:
- Deugden ethiek:
Karakter en de intentie achter het handelen zijn moreel belangrijk.
Het goede leven.
- Kritiekpunten:
In strijd met basale ethische intuïties.
De grenzen van vorming.
4. Weet wat de zorgethiek is:
Zorgethiek:
- Een kritisch perspectief op de traditionele ethiek.
- Oorsprong in de politieke filosofie en het feminisme.
- Brengt ethische overwegingen naar de voorgrond die anders onbelicht on ongezien
blijven.
- Kernbegrippen:
Afhankelijkheid en verantwoordelijkheid.
Waardevolle relaties.
Eigenheid van personen.
De contextgebondenheid van het handelen.
Eclectisch (deugden, plichten en gevolgen tellen allemaal).
1
, 5. Weet belangrijke tekortkomingen van deze soorten ethiek te noemen:
- Plichtenethiek (consequentialisme):
In strijd met basale ethische intuïties.
De botsing van plichten.
- Gevolgenethiek (deontologie):
Doel heiligt de middelen.
De positie van minderheden.
In strijd met basale ethische intuïties.
- Deugdenethiek:
In strijd met basale ethische intuïties.
De grenzen van vorming.
Leerdoelen week 2:
1. Aangeven wat het begrip autonomie inhoudt:
Wat is autonomie:
- Het woord autonomie is afgeleid van het Griekse woord autonomia, dat
samengesteld is uit: autos (zelf) en nomos (wet).
2