Anatomie en fysiologie van de mens
Voorbereidingsopdracht(en)
Lees hoofdstuk 12 (Zenuwstelsel) van Gregoire, et al. (2014) Anatomie en fysiologie
van de mens. Amersfoort: ThiemeMeulenhoff tot en met paragraaf 12.3 en paragraaf
12.10
Algemene functies zenuwstelsel:
- regulatie activiteiten weefsels en organen
- coördinatie activiteiten van weefsels en organen
- regulatie en coördinatie van vegetatieve functies
- coördinatie van contacten met buitenwereld
- coördinatie psychische functies
Drie functionele fases van het verloop van het zenuwstelsel:
1. sensorische input
= het opvangen van prikkels door sensoren
2. verwerking
= bepalen van het centrale zenuwstelsel of/hoe het lichaam moet reageren op de prikkels
3. motorische output
= aansturen door zenuwstelsel van effectoren (doelwitorganen)
Indelingen zenuwstelsel
- anatomische indeling (bouw)
- fysiologische indeling (functie)
Anatomische indeling
Kan weer ingedeeld worden in:
- centraal zenuwstelsel
- perifeer zenuwstelsel
Centraal = deel van zenuwstelsel dat geheel omgeven is door benig omhulsel:
Grote hersenen, tussenhersenen, hersenstam, kleine hersenen en ruggenmerg
Perifeer = verbindingsweg tussen centraal zenuwstelsel en de rest van het lichaam. Bestaand
uit hersenzenuwen, ruggenmergzenuwen, grensstreng en de zenuwen van vegetatief
zenuwstelsel
Fysiologische indeling
Gebaseerd op de functie van het zenuwstelsel.
Onderverdeeld in drie aspecten:
- integratie
- hiërarchie
- richting signaal
, Integratie
Gaat over het laten functioneren van het hele geheel door verschillende delen met elkaar te
laten communiceren. Je kunt deze integratie onderverdelen in;
Vegetatieve integratie: activiteiten van vegetatieve stelsels (onwillekeurig en autonoom).
Voorbeelden hiervan zijn; bloeddruk, darmactiviteit en ademfrequentie.
Effectoren ervan zijn: glad spierweefsel, hartspierweefsel en klierweefsel.
Deze integratie is weer onder te verdelen in twee werkingen:
- sympathisch: wanneer je actief bent
- parasympatisch: wanneer je inactief bent
Animale integratie: willekeurige integratie voor de integratie tussen mens en zijn omgeving.
Voorbeeld daarvan is het op commando activiteiten doen
Effectoren hiervan zijn de dwarsgestreepte spieren (skeletspieren)
Hiërarchie
De grote hersenen vormen binnen het zenuwstelsel het ‘hoogste’ niveau. De macht die je
onderverdeeld bij de hiërarchie, gaat namelijk van hoog naar laag in de volgorde van de
‘’hooggelegen’’ hersenen tot het ‘’laaggelegen’’ ruggenmerg.
Je kunt reflexen soms ook uitzetten door de hersenen zijn werk te laten doen. Dit reflex kun je
alleen uit zetten via de hersenen, niet via de prikkels vanuit het ruggenmerg.
Richting van signaal
Afferente informatie = aanvoerende informatie = impuls van perifeer naar centraal
Efferente informatie = afvoerende informatie = impuls van centraal naar perifeer
Ook IN het centrale zenuwstelsel heb je beweging:
Afdalende banen: signalen van boven naar beneden (hoog naar laag niveau)
Opstijgende banen: signalen van laag naar hoog (onder naar boven)
Er is ook een grote groep impulsen die zowel afferent als efferent is: zij brengen schakelingen
tot stand.
Zenuwweefsel
Je hebt twee typen cellen in het zenuwweefsel:
- neuronen/zenuwcellen
- steuncellen
Neuronen
Cellichaam = deel van cel met een kern en de cel organellen
Twee typen uitlopers:
- neuriet/axon: vervoert impulsen van cellichaam af
Neuronen hebben altijd maar één neuriet. Ze zijn omgeven door myelineschede met
insnoeringen van Ranvier ertussen.
- dendriet: vervoert impulsen van andere zenuwcellen naar het cellichaam toe.
Neuronen kunnen altijd verschillende dendrieten hebben.