Inleiding antomie, gewricht
Weefsel: Groep cellen met dezelfde vorm en functie
Orgaan: Deel van een organisme met een specifieke structuur en functie opgebouwd uit
verschillende weefsels
Stelsel: Systeem van organen die fysiologisch gezien bij elkaar horen: samen een bepaalde
werking/functie
Weefsels:
Dekweefsel/epitheel
Mechanische invloeden: Stoten (van buitenaf)
Chemische invloeden: Stoffen (van buitenaf)
Steunweefsel
Moet het lichaam steun geven op allerlei manieren.
Tussenstof bepaalt de kwaliteit van het steunweefsel (hard/zacht).
- Grondsubstantie: zitten vezels in
- Vezels: bepaald wat voor soort steunweefsels je hebt, geeft de kwaliteit.
Collagene: niet elastisch. Kom je vaak in bundels tegen
Elastische: wel rekbaar, springt terug in de oorspronkelijke vorm
Reticulaire: bijzondere vorm van collagene vezels. Vormen netwerken. Heeft een
functie in de aanmaak van je rode bloedlichaampjes.
Soorten steunweefsel:
- Bindweefsel
Losmazig: vind je allerlei soorten vezels in. Is het vulmiddel van je lichaam: verbindt
structuren met elkaar. Sluit alles goed op elkaar aan
Reticulair: op een beperkt aantal plaatsen in je lijf, bijvoorbeeld in je milt, beenmerg,
klieren. Heeft te maken met bloedaanmaak.
Vezelig: bevat óf heel veel elastische vezels (in de wanden van organen), óf veel
collagene vezels (pezen, de meeste gewrichtsbanden).
- Kraakbeen(weefsel) (iets vaster dan bindweefsel)
Elastisch: vormt mee. Oorschelp, voorste deel van je neus.
Vezelig: meniscus, voor in je bekken.
Hyalien: gewrichtskraakbeen: in de meeste gewrichten. Glasachtig: kunt er doorheen
kijken.
- Been(weefsel)/bot
Ontzettend hard door zoutkristallen.
Spierweefsels
Hart spierweefsel: onvermoeibaar. Werkt onwillekeurig, vanzelf.
Glad spierweefsel: in de wanden van organen en wanden van bloedvaten, met name
slagaders. Werkt vanzelf en is onvermoeibaar.
Dwarsgestreept/ skelet spierweefsel: bestaan de spieren van je bewegingsapparaat uit.
Kunnen we aanspannen: willekeurig.
Zenuwweefsel
Centrale zenuwstelsel: hersenen en ruggenmerg
Perifere zenuwstelsel: alle uitlopers ervan
, Samenvatting Anatomie blok 1
Prikkelgeleidend en verwerkend
Informatieverwerking
Het bewegingsapparaat
Mobiliteit: d.m.v. je bewegingsapparaat in staat om te bewegen.
Stabiliteit: voorwaarde voor mobiliteit: er moet een stabiele basis aanwezig zijn.
Gewrichten
Een verbinding tussen twee of meer botstukken
1. Articulatio fibrosa: bindweefselverbinding.
2. Articulatio cartilaginea: kraakbeenverbinding
3. Articulatio synovialis: geen weefsel. Zit een gewrichtsholte/ruimte tussen de botten. Komt
het meest voor.
Gewrichtsholte
Gewrichtskapsel: zodat de vloeistof binnenboord blijft.
Gewrichtskraakbeen: kop en kom bedekt met kraakbeen
Gewrichtsvloeistof (synovia): zwart in het plaatje
Hulpstructuren: kunnen aanwezig zijn. Bijv. discus, meniscus, labrum articulare.
Kop=convex=bol
Kom=concaaf=hol
Cavum articularis: gewrichtsholte. Microscopisch klein
Capsula articularis: gewrichtskapsel. 2 lagen:
Membrana synovialis (rode laag in plaatje)
- Binnenste laag
- Losmazig bindweefsel: bevat hier heel veel bloedvaten
- Verantwoordelijk voor de productie en resorptie van synovia
Membrana fibrosa (witte laag in plaatje)
- Buitenste laag
- Vezelig bindweefsel (collagene vezels): kunt ze op spanning zetten, maar niet uitrekken.
- Wisselend van dikte door concentratie van collagene vezels (veel=dik, weinig=dun)
- Gewrichtsband: plaats waar veel collagene vezels zitten
= ligamenten: plaatselijke versterking van het gewrichtskapsel. Geleiden bewegingen van het
gewricht. Eindstand brengt ligamenten op spanning.
Een ligament dat op spanning/strak staat kan voor stabiliteit zorgen.
Capsulair: in de buitenste laag (membrana fibrosa) (enkelbanden)
Extracapsulair: los van het gewricht in de buitenkant: buiten het kapsel gelegen:
buitenkant van de knie.
Intra-articulair: binnenin het gewricht: los van het kapsel (kruisband)
Gewichtskraakbeen (cartilago articularis)
Bevat geen zenuwen en geen zintuigen: kun je geen pijn mee voelen.
Meestal hyalien kraakbeen
Gewrichtsvloeistof (synovia)
Dialystaat (vloeistof dat weglekt) van bloedvloeistof
Belangrijkste functie is smering.
Hulpstructuren