14t/m 16)
Hoofdstuk 1 Procesrecht, een inleiding.
Bronnen procesrecht: - Grondwet, - Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv), - Wet op de
Rechterlijke organisatie (RO), -Advocatenwet, -Wet op het Notarisambt, -verdragen enz.
Grondregels van procesrecht:
- Hoor en wederhoor: beide partijen mogen hun zienswijze geven.
- Openbaarheid: iedereen heeft, in principe, toegang tot de rechtszitting.
- Motivering: rechter moet uitleggen hoe tot beslissing is gekomen.
- Hoger beroep en cassatie: in bijna alle gevallen kan zaak aan hogere rechter worden
voorgelegd.
- Onafhankelijk en onpartijdige rechter: wordt voor het leven benoemd, rechtspositie bij wet
geregeld en moet vrij en onafhankelijk kunnen beslissen (wrakingsrecht en
verschoningsrecht)
Kenmerken Burgerlijk procesrecht:
- Rechter is lijdelijk: partijen bepalen zelf of en waarover er wordt geprocedeerd.
- Verplichte procesvertegenwoordiging: bij rechtbank en hoger advocaat verplicht; goede en
efficiënt procesverloop.
Hoofdstuk 2 De bevoegdheid van de rechter.
Absolute competentie: welke rechter?
Kanton:
- waardezaken tot 25.000 euro,
- aardzaken: alle huur en arbeidszaken ongeacht de economische waarde
Rechtbank, arrondissement: alle zaken die niet naar Kanton gaan (familiekamer en handelskamer)
Gerechtshof, ressort: hoger beroep uitspraak Kanton vanaf 1750 euro en hoger beroep uitspraken
rechtbank.
Hoge Raad: juridische beoordeling (toetst op onjuiste rechtsopvatting of verzuim van vormen)
Relatieve competentie: welke plaats?
Uitgangspunt: de woonplaats van de gedaagde (vb. woont die in Heerlen dan vindt zitting
in Maastricht plaats), in consumentenzaken: woonplaats eisende consument.
Hoofdstuk 3 Rechtshulpverleners.
Advocaat: juridisch adviseur die cliënt vertegenwoordigt in rechtszaken, stelt brieven op, probeert te
schikken en stelt processtukken op.