1. De student benoemt de verschillende soorten luxaties.
- Anerieure glenohumerale luxatie schouderluxatie naar voren (84%)
- Posterieure glenohumerale luxatie (1,5%)
Gevolgen van luxatie:
o Slap-laesie labrumletsel
o Bankhart-laesie
o Hillsax
Glenohumerale instabiliteit
De stabiliteit in dit gewricht is maar klein, dit is een gevolg van de manier waarop de
botten in het gewricht liggen. De kom van het glenoïd is klein en ondiep in vergelijking
met de grootte van de humeruskop. Het glenoïd wordt daarom vergroot door het
labrum, een kraakbeenkraag rond de kom waaraan niet alleen het kapsel met de
gewrichtsbanden aanhecht, maar ook het caput longum van de bicepspees. Het
kapsel zit niet strak om het glenohumeralegewricht, maar spant alleen aan in de
maximale ROM van de bewegingen. De belangrijkste stabilisator van het
glenohumerale gewricht is de rotatorenmanchet.
Door deze bouw is de schouder het gewricht in het menselijk lichaam waarin het
vaakste luxaties optreden.
De luxatie naar voren is meestal het gevolg van een beweging waarbij de humerus
met te veel kracht in abductie en exorotatie wordt gedrukt.
Luxaties naar achteren zijn meestal het gevolg van heftige spiercontracties secundair
aan een epileptische aanval of een elektrische schok. De krachtige endorotatoren
ontwikkelen veel meer kracht dan de zwakkere exorotatoren, waardoor er een
extreme endorotatie ontstaat en dus de humeruskop naar achteren luxeert.
Wanneer na een schouderluxatie het labrum, de kapselaanhechting of het kapsel
beschadigd zijn, kan er een instabiliteit van het schoudergewricht ontstaan.
Er is sprake van subluxaties, dit is een toestand waarbij de humersukop bij bepaalde
bewegingen niet goed in het glenoïd gecentreerd kan worden en op de rand van het
glenoïd balanceert. Deze subluxatie kan in één richting plaatsvinden, bijv. naar voren,
en is dan meestal het late gevolg van een posttraumatische voorste schouderluxatie.
Schouderluxatie naar voren (84%)
Dit is bijna altijd het gevolg van een indirect trauma, bijvoorbeeld een val op de
uitgestoken elleboog en hand.
Diagnose stellen: Er is sprake van een adequaat trauma en de patiënt durft de arm
nauwelijks te bewegen. De m. Deltoideus aan de laterale zijde van het acromion is de
uitsteekbaarheid meer afgeplat, omdat de humeruskop zich niet meer op de normale
plaats onder het acromion bevindt, soms zelfs een indeuking te zien. Humeruskop kan
onder de processus coracoideus of achter de m. Perctoralis worden gepalpeerd.
Passief bewegen van de schouder is onmogelijk door deels pijn en deels door
reflectoire aanspanning van de schouderspieren om het geluxeerde gewricht te
stabiliseren.
,Om de luxatie te beoordelen en bijkomende botletsels aan te tonen is radiologisch
onderzoek noodzakelijk. Standaardfoto’s zijn een voorachterwaartse opname in het
vlak van de scapula, een transscapulaire opname en/ of een axillaire opname.
Schouderluxatie naar achteren (1,5%)
Deze diagnose wordt te weinig gesteld, omdat deze zelden voorkomt. De diagnosetijd
voor de posterieure luxatie is gemiddeld 16 maanden. De reden is dat de schouder na
deze luxatie nog redelijk beweeglijk is, omdat de humeruskop nog in de posterieure
spiermanchet van de schouder kan bewegen. De humeruskop bevindt zich onder het
acromion, het gewrichtsvlak van de humeruskop staat achter de rand van het glenoïd
en wijst naar achteren. De luxatie is meestal het gevolg van een indirect trauma.
Slechts zelden is er sprake van een direct trauma tegen de voorzijde van de schouder.
In de helft van de gevallen gaat de luxatie naar achteren gepaard meteen letsel van
het bot, zoals een fractuur van de achterand van het glenoïd, een fractuur van het
tuberculum minus of een meer uitgebreide proximale of subcapitale
humerusfractuur.
Diagnose: Direct in aansluiting op het ongeval kan de diagnose worden vermoed door
de anamnese en de bij het onderzoek aanwezige adductie- en endorotatiecontractuur
van de arm. In een later stadium zal de patiënt klachten van een pijnlijke stijve
schouder hebben. Er blijkt dan sprake te zijn van een oud trauma, insult (shock), een
elektrische schok of een coma diabeticum. Bij inspectie is inactiviteitsartrofie van de
schouderspieren, waardoor de volgende bevindingen worden geaccentueerd:
- Voorzijde van de schouder is afgevlakt
- Kleine uitbolling van de huid ter hoogte van de processus coracoideus
- Achterzijde van de schouder is voller door de geluxeerde humeruskop
Beste te zien wanneer men van bovenaf op de schouder neerkijkt.
Tijdens bewegingsonderzoek is de abductie van de schouder ernstig beperkt en staat
de arm gefixeerd in endorotatiestand. De voorachterwaartse röntgenfoto ziet er
normaal uit, alleen ontbreekt het parallelisme tussen de contouren van de
humeruskop en de anterieure glenoïdrand. Wanneer een transscapulaire of axillaire
röntgenfoto van de schouder wordt gemaakt is deze posterieuze luxatie beter te
herkennen.
A: Een anterieure schouderluxatie kan ontstaan door een voorwaartse val waarbij de
humeruskop met te veel kracht in abductie en exorotatie wordt gedrukt. B: Door een
voorwaartse val met de arm in anteflexie, adductie en endorotatie − ofwel
, geforceerde adductie en axiale compressie − kan een posterieure schouderluxatie
ontstaan.
Gepaard met een schouderluxatie kom je bij ouderen vaak rotatorcuffrupturen tegen.
Bij jongeren zie je na een luxatie in veel gevallen uitgebreide labrumletsels.
Labrumletsel kan worden onderverdeeld in verschillende types:
- SLAP-laesie
- Bankart-laesie
SLAP-Laesie
Het labrum is een bindweefselring in de schouder. Op deze ring hecht de pees van de
biceps spier aan. Bij SLAP-laesie is het gedeelte van het labrum gescheurd waar de
biceps pees op vast zit. Dit is vaak het gevolg van de grote trekkrachten die de biceps
spier op het labrum kan geven. Als de scheur groter wordt kan er zelfs een flap
ontstaan, waarbij het labrum volledig los zit van de schouderkom.
Gradaties:
Type 1
Degeneratieve afwijkingen (als gevolg van achteruitgang van
het weefsel) zorgen voor wat scheurtjes in het labrum. Hier
zit het labrum nog vast op de schouderkom.
Type 2
Hier is sprake van een lengte scheur in het labrum waarbij
de aanhechting van de biceps los zit van de schouderkom.
Dit kan voor instabiliteitsgevoel zorgen.
Type 3
Bij dit type is de zogenaamde ‘bucket handle’ scheur
aanwezig. Dat wil zeggen dat de lengte scheur een flap
scheur is. Deze flap kan bewegen tussen het gewricht
komen zitten.
Type 4
Hierbij is de bucket handle scheur groter en loopt door de
biceps pees heen. Hierbij wordt dus ook de biceps pees gespleten.
Bankart-laesie
Als het labrum inclusief een deel van de benige glenoïdvoorrand afscheurt (avulsie),
spreekt men van een benige Bankart-laesie. Benige Bankart-laesies hebben een hoger
percentage recidiefluxaties dan niet-benige Bankart-laesies.
Een glenoïdfractuur wordt vooral bij jongeren na een anterieure schouderluxatie
gezien. De incidentie van avulsiefracturen van de anterieure rand van het glenoïd
varieert tussen 3 en 32% bij patiënten met een primaire anterieure schouderluxatie.
Hierbij zijn ook de kleine ossale fragmentjes meegeteld. Hoe groter het fragment, des
te instabieler de schouder is.