7.1 Inleiding
Het voorkomen van neuropsychologische vraagstukken is in de praktijk afhankelijk van de setting,
maar gesteld kan worden dat het bij adequate diagnostiek altijd een aspect dient te zijn dat in het
achterhoofd gehouden moet worden. Ook het adequaat kunnen doorverwijzen om op die manier een
cliënt op het juiste spoor te brengen, vormt een belangrijk onderdeel van het diagnostisch proces.
Voor adequaat kunnen beoordelen van een vraagstelling of het inschatten van de waarde van een
eerder afgenomen neuropsychologisch onderzoek vereist enig inzicht in de neuropsychologie en haar
denkkaders. Dus ook voor hen die niet voornemens zijn zelf neuropsychologische onderzoeken te
verrichten, is basiskennis over de neuropsychologie onontbeerlijk binnen de psychodiagnostiek.
Onder klinische neuropsychologie verstaat men het wetenschapsgebied waar de relaties tussen
hersenen en gedrag in patiëntgebonden onderzoek bestudeerd worden, alsmede de praktijksector
waar deze kennis wordt toegepast in de vorm van diagnostiek, begeleiding en behandeling.
Wetenschappelijk gaat het om een multidisciplinaire interactie tussen neuro- en
gedragswetenschappen. En ook in de praktijk zijn bij de diagnostiek, begeleiding en behandeling vele
disciplines betrokken.
Inzicht in en kennis over de aanpalende disciplines is fundamenteel voor een neuropsycholoog,
waarbij kennis over het eigen vakgebied en de ontwikkelingen hierbinnen essentieel zijn.
Golfbeweging tussen enerzijds de nadruk op specifieke gedragsgevolgen van selectieve stoornissen in
hersendelen (lokalisationisme) en anderzijds op algemene gedragsgevolgen van stoornissen in de
hersenen als geheel (holisme) is vandaag de dag nog steeds zeer actueel.
Meest bekende lokalisatorische tijdperk werd ingeluid door Frans Jozeph Gall. Gevolgd door een
periode waarin vele onderzoekers juist de integriteit van de hersenen als geheel vooropstelden.
Vervolgens kwam door onderzoek van Broca en Wernicke weer de nadruk te liggen op lokalisatie.
Omstreeks WO1 begonnen holistische opvattingen weer de overhand te krijgen. Met name door
Goldsteins zoektocht naar een onderliggende gemeenschappelijke en fundamentele psychische
stoornis bij alle vormen van hersenletsel en door Lashleys onderzoek naar equipotentialiteit en
overname van functie door niet-beschadigde hersendelen.
In deze holistische periode rondom de wereldoorlogen ontstonden ook de eerste
neuropsychologische tests en testbatterijen. Met deze tests veronderstelde men dat daarmee niet
alleen het psychische gevolg van onmiskenbaar aanwezige hersenbeschadigingen vastgesteld en
gemeten kon worden, maar dat ook de gevolgen van tot dan toe onzichtbaar gebleven
hersenaandoeningen opgespoord zouden kunnen worden. De vele tests en testbatterijen die destijds
internationaal voor dit doel gepubliceerd werden, werden aangeduid met de term ‘organische test’.
Zowel internationaal als nationaal vonden deze ontwikkelingen bijna uitsluitend plaats in
psychiatrische afdelingen en instellingen. Vanaf WO2 verbreedde het klinische en poliklinische
werkveld zich tot neurologische en neurochirurgische afdelingen, tot algemene ziekenhuizen,
revalidatie-instellingen, de psychogeriatrie, consultatiebureaus en allerlei categoriale voorzieningen.
Ongeveer tezelfdertijd veranderde het theoretische klimaat weer: het ‘organische’ holisme werd
vervangen door lateralisatie- en lokalisatietheorieën, een ontwikkeling die sneller doordrong in
neurologische dan in psychiatrische werksituaties. Dit had duidelijke gevolgen voor het
neuropsychologische onderzoeksarsenaal: niet 1 maar een bijna onafzienbare reeks van
gedragskenmerken, met name gedragsveranderingen, kwam in principe voor diagnostisch onderzoek
in aanmerking. Hierbij kwam ook heel duidelijk de functiedifferentiatie passend bij de lokalisatie naar
voren. Zo was het nu onvoldoende om over geheugen te praten, maar werd en meer
gedifferentieerde terminologie geïntroduceerd.
, Ook in dit gebied van de psychologie ontstond een scholenstrijd tussen aan de ene kant de klinische,
emer kwalitatieve insteek en anderzijds de methodologische statistische, kwantitatieve
benaderingen. Tussen deze twee stromingen kan een derde, experimentele benadering
onderscheiden worden. Hierbij wordt gebruikgemaakt van experimenten en meetmethoden met
constructvaliditeit in de experimentele en cognitieve psychologie, maar nu ingezet ten behoeve van
de diagnostiek. De psychometrische kwaliteit van met name de normgegevens wordt bij deze
benadering vaak minder goed in het oog gehouden. Conceptueel is deze benadering vernieuwend,
omdat de test hier niet gebruikt wordt om een stoornis te meten, maar de mate waarin een persoon
vaardig is om een bepaalde cognitieve functie uit te voeren. Het theoretisch kader vormt het model
voor het normale functioneren waartegen de prestatie wordt afgezet.
In de Nederlandse neuropsychologie overheersen momenteel luriaanse en experimentele invloeden,
maar evenals elders komen combinaties (respectievelijk pogingen tot synthese) aanzienlijk vaker voor
dan de oorspronkelijke paradigmata. Inzichten, theorieën en feiten verkregen door lokalisatie- en
lateralisatieonderzoek worden nu ook zeer belangrijk gevonden, maar zoals straks nader toegelicht
wordt, zou het een misverstand zijn om lokalisatie en lateralisatie als het primaire doel van de
hedendaagse neuropsychologische diagnostiek te beschouwen.
In het onderzoek en in de praktijk neemt de interesse voor meer ‘holistische’ onderwerpen een
vlucht. Momenteel overheerst de gedachte dat hersendysfuncties zowel selectieve, aan lokalisatie
gebonden stoornissen, als meer algemene gevolgen kunnen hebben.
Belangrijke diagnostische instrumenten zijn, evenals elders in de klinische psychologie, de anamnese
en heteroanamnese, de observatie, de vragenlijst, het testonderzoek en het experiment. Het
belangrijkste diagnostisch instrument echter, waarzonder de andere methoden zinloos zijn, is kennis
van de verschillende gedifferentieerde cognitieve en emotionele domeinen waarbinnen de
stoornissen zich kunnen openbaren.
7.2 Mogelijke misverstanden
1. De gedachte dat het in de neuropsychologische diagnostiek uitsluitend zou gaan om het onderzoek
van cognitieve functiestoornissen en intellectuele achteruitgang.
Het klassieke onderscheid tussen emotie en cognitie vervaagt steeds meer en beide worden nu als
‘mentale functies’ gezien die verstoord kunnen raken als gevolg van een hersendisfunctie. Een
belangrijk onderscheid dat nu optreedt, is dat emotionele stoornissen en
persoonlijkheidsveranderingen in sommige gevallen voorkomen als direct gevolg van een
beschadiging in bijv. de frontaalkwabben en in andere gevallen een indirecte reactie kunnen zijn op
functieverlies.
Men moet zich verder realiseren dat het vaststellen van (relatief) intacte functies minstens even
belangrijk is voor een inschatting van de zelfstandigheid en de compensatiemogelijkheden van de
patiënt. De onderkenningsvraag is in de neuropsychologie een buitengewoon veelzijdige en
veeleisende opgave, vooral omdat men daarbij ook nog de mogelijk ordening in uitval of
gedragssyndromen dient aan te geven en de rest van de problemen moet taxeren.
2. Het idee dat de verklaringsvraag een antwoord in termen van een medische diagnose en/of een
lokalisatie van de laesie zou vereisen.
Er moeten conclusies worden getrokken op basis van cognitieve functiedomeinen en de invloed
daarvan op het gedrag, waarbij rekening gehouden wordt met het emotioneel functioneren, de
persoonlijkheid en de situatie van de onderzochte. Dit leidt per definitie niet tot een medische
diagnose, maar heeft evident zelf relevante toegevoegde waarde.
Ten 1ste kunnen gedragsgegevens doorslaggevend zijn voor een medische diagnose.