Week 6, Hoofdstuk 8: Inhoudsanalyse
Wanneer welke onderzoeksstrategie? bepalend door onderzoeksvraag.
1. Inhoudsanalyse: het bestuderen van bestaande uitingen via coderen
(onderzoekseenheden)
2. Survey: het bestuderen van kenmerken/meningen onderzoekseenheden via
ondervragen
3. Experiment: het aanpassen (manipuleren) van omstandigheden, bestuderen van
gevolg via observeren, ondervragen
4. Kwalitatief onderzoek: doorgronden van denkwijze/motivatie onderzoekseenheden
via diepte-interview, participerende observatie
Kwantitatieve inhoudsanalyse= objectieve, systematische codering:
- Er worden geen mensen, maar boodschappen onderzocht= voornamelijk
mediaboodschappen
- Het is een dataverzamelingsmethode, geen analyse grootschalige data
Het doel: op zoek naar de diepgaande interpretatie, naar de achterliggende betekenissen in
het materiaal
Vraagstelling:
- Inzetten bij een beschrijvende vragen (probleemstelling)
- Kan ook leiden tot vergelijken en verklaren
Je kunt niet concluderen over het effect
Theoretisch raamwerk: afhankelijk van de vraagstelling en de relevante wetenschappelijke
literatuur.
Operationalisatie documenteren (variabelen bepalen):
1. Manifest is objectief waarneembaar (afbeeldingen) of latent is niet direct
waarneembaar, moet je interpreteren (positief/negatief/neutraal)
2. Codeboek en codeerschema = omzetten van ruwmateriaal in analyseerbare data
Meetinstrument:
- Kan een deel zijn van een groter onderzoek
- Bestuderen van bestaande uitingen= non-reactief onderzoek verandert niet meer
(is een voordeel, kun je niet beïnvloeden)
- Bestuderen van uitgelokte uitingen= verslag van diepte-interview, antwoorden op
open vragen
Van ruw materiaal naar telbare en valide data= operationaliseren:
1. Codeereenheden (steekproef) = eenvoudig random sampling is vanwege
representativiteitsproblemen niet de meest praktische optie.
2. Codeboek: de kenmerken van de codeereenheden in vragen
3. Coderen: vastleggen van kenmerken van codeereenheden beschrijven van
codeervoorschriften
Populatie wordt gebaseerd op de vraagstelling steekproefvormen= systematische
steekproef, heeft invloed op de externe validiteit:
, - Enkelvoudige aselecte steekproef: toeval steekproef
- Gestratificeerde steekproef: verschillende karakters waar je onderzoekseenheden op
kunt beschrijven
- Cluster steekproef: krant ‘artikelen van voorpagina’
- Multistage (getrapt) steekproef: ‘krantartikelen van voorpagina week 41 linksboven’
- Systematische steekproef: bijvoorbeeld een samengestelde week
Interne validiteit: waarborgen door codeurs te trainen= omschrijven van begrip en toepassen
van het meetinstrument:
- Codeervoorschriften= validiteit van codeerschrift
Betrouwbaarheid van codering= eenduidige codering (risico is een overloop van tijd:
vergelijkbaarheid tussen codeurs (intercodeurbetrouwbaarheid)/codeurmomenten
(intracodeurbetrouwbaarheid). Altijd meerdere codeurs gebruiken: sneller coderen,
objectieve documentatie en minder gevoelig voor subjectieve interpretatie.
Codering verbeteren:
1. Eenduidige variabelen= geen overlap tussen concepten/dimensies
2. Eenduidige categorieën = alle mogelijke categorieën benoemen (uitputtend)
3. Duidelijke instructies voor codering= wat is ‘…’?
4. Pilot test= probeer je codeerschema voor af uit, tijdens onderzoek niet veranderen
Kwalitatieve inhoudsanalyse= interpretatieve codering, er wordt een stuk gelezen en daar
wordt een mening over gegeven:
De steekproeftrekking, wijze van analyseren, en validiteit en betrouwbaarheid zijn
vergelijkbaar met een kwantitatieve inhoudsanalyse. Het doel van een kwalitatieve
inhoudsanalyse is om de latente betekenissen in een boodschap te achterhalen.