1
Een consument kan zich onaangenaam voelen als hij iets doet wat strijdig is met zijn
persoonlijkheid. Waarmee heeft dit te maken?
A. Persoonlijkheid is consistent.
B. Persoonlijkheid is uniek.
C. Persoonlijkheid is duurzaam.
D. Persoonlijkheid is veranderlijk.
2
Horney noemt drie persoonlijkheidstypen. Welk type noemt hij niet?
A. het meegaande type
B. het onderdanige type
C. het onafhankelijke type
D. het agressieve type
3
Wat vertegenwoordigt volgens Freud de primitieve behoeften van een mens?
A. ego
B. id
C. superego
D. onderbewustzijn
4
Stelling:
In tegenstelling tot de socio-psychologische theorieën wordt bij de psychoanalytische theorie veel
nadruk gelegd op de interactie tussen individu en sociale omgeving.
A. Juist
B. Onjuist
5
Stelling I:
De centrale traits zijn bepalend voor het gedrag van het individu in verschillende situaties.
Stelling II:
Voor de marketingpraktijk blijken vooral single-traittests bruikbaar te zijn.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.