De bevoegdheden en regelgeving, met betrekking tot het bewaren en het toedienen van
medicijnen, liggen in verschillende wetten vast. Verondersteld wordt dat je deze wetten als
verpleegkundige kent. Zo zijn er de Opiumwet en de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening.
Daarnaast is er de Wet BIG, die ondermeer de bevoegdheden ten aanzien van het voorschrijven en
het verstrekken van medicijnen beschrijft. De WGBO (Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst)
beschrijft de rechten die cliënten in behandel- en verpleegsituaties hebben. Ook op het
voorschrijven en toedienen van medicijnen zijn deze rechten van de cliënt van toepassing.
Analgetica
Analgetica zijn pijnstillers. Ze nemen de oorzaak van de pijn niet weg. Vaak zijn de pijnstillers wel in
staat de pijnklachten geheel of gedeeltelijk te laten verdwijnen. Pijnstillers kunnen worden gebruikt
als de pijn geen nuttige signaalfunctie meer heeft. Deze geneesmiddelen zijn bijvoorbeeld te
gebruiken bij pijn na een operatie of bij voortdurende pijn bij reumapatiënten of bij
kankerpatiënten.
De analgetica worden in twee groepen ingedeeld:
perifere analgetica
centrale analgetica
perifere analgetica
Perifere analgetica zijn eenvoudige pijnstillers die op de plek werken waar het weefsel beschadigd
is. De meest gebruikte eenvoudige pijnstiller is paracetamol. Dit middel werkt pijnstillend en
koortsverlagend.
Naast paracetamol bestaat een groep geneesmiddelen die behalve pijnstillend en koortsverlagend
ook ontstekingsremmend werkt. Men spreekt vaak van NSAID's: Non-Steroidal Anti-Infammatorr
Drugs.
De bekendste vertegenwoordiger uit deze groep is acetrlsalicrlzuur (Aspirine®). Andere NSAID's
die veel worden gebruikt zijn: carbasalaatcalcium (Ascal®), diclofenac (Voltaren®), ibuprofen
(Brufen®) en naproxen (Naprosrne®).
Meestal worden deze middelen oraal toegediend. Rectaal toedienen is ook vaak mogelijk.
Diclofenac kan bovendien per intramusculaire injectie worden toegediend. Paracetamol heeft de
minste bijwerkingen. De meest voorkomende bijwerkingen van NSAID's zijn maagdarmstoornissen
en nierfunctiestoornissen. Bij astmapatiënten kunnen ze een ernstige astma-aanval uitlokken.
Centrale analgetica
Centrale pijnstillers zijn zware pijnstillers die hun werking uitoefenen in het centrale zenuwstelsel.
Ze verhogen de pijndrempel en zorgen ervoor dat de pijn beter wordt verdragen. De meest
bekende vertegenwoordiger van deze groep geneesmiddelen is morfne. Andere stofen die tot
deze groep behoren zijn bijvoorbeeld fentanrl (Durogesic®), nicomorfne (Vilan®), pethidine en
piritramide (Dipidolor®). Er bestaan veel verschillende toedieningswegen: oraal, rectaal, door
middel van een pleister, subcutaan, intramusculair, intraveneus, epiduraal (aan de buitenzijde van
het harde ruggenmergsvlies) of intrathecaal (binnen de ruggenmergsvliezen).
De dosering is sterk afhankelijk van de toedieningsweg. Als er bijvoorbeeld wordt overgeschakeld
van morfne-injecties op morfnetabletten dan moet de dosis 2 tot 4 keer zo hoog worden! De zware
pijnstillers remmen het centrale zenuwstelsel en kunnen ernstige bijwerkingen geven. Het meest
gevaarlijk is de onderdrukking van de ademhaling (ademhalingsdepressie). Verder kan de cliënt suf
worden. Misselijkheid en braken treden vooral bij het begin van de therapie op. Obstipatie is vaak
een hardnekkig probleem. Daarom krijgt een cliënt die met morfnetabletten begint meestal direct
ook een medicatieopdracht voor een laxans. Bij overdosering van zware pijnstillers is het soms
nodig een antidotum (tegengif) te geven. Naloxon (Narcan®) kan de werking en bijwerkingen van
morfne-achtige stofen ophefen.
Antihistaminica
Antihistaminica zijn middelen tegen allergie. Histamine is een lichaamseigen stof die vrijkomt bij
allergische reacties (overgevoeligheidsreacties). Het kan benauwdheid, een lage bloeddruk, bulten
en jeuk veroorzaken. Antihistaminica gaan deze verschijnselen tegen. Ze worden toegepast bij
allergische reacties van de huid, ogen of neus, op bijvoorbeeld pollen, huisdieren of huisstofmijt.