en Media Hfst 3 par 2.3, 2.4 en
2.5
Encoderen en decoderen betref een kernelement van het communicateproces.
De essente is dat we bij het communiceren een vooraf afgesproken code (bijvoorbeeld de
Nederlandse taal) hanteren en dat we de boodschap (een idee, een gedachte of een bevel) moeten
coderen. Tekens vormen door hun onderlinge verband met elkaar een systeem. De manier waarop
een set van tekens systematsch georganiseerd is in een systeem noemen we een code.
Elke code bestaat uit twee elementen:
1. De eenheden (bijvoorbeeld a tot z)
2. De patronen (regels in verband met de combinate van de eenheden zoals grammatca)
Danesi maakt een bijkomend onderscheid tussen een digitale en een analoge code. Bij digitale of
conventionele codes zoals letter-, taal- en cijfertekens is er nuancering of gradate in de
betekenisintensiteit. Deze codes moeten aangeleerd worden en er is niet noodzakelijk een gelijkenis
tussen het teken en de betekenis aangezien de relate tussen beide gebaseerd is op een afspraak
tussen mensen (convente). De digitale code leent zich dan ook perfect tot communicate over
abstracte zaken zoals toekomst, verleden of waarheid.
Een analoge of natuurlijke code zoals beeldende taal maakt wel nuancering en gradate in de
betekenisintensiteit mogelijk. Deze code is vaak situate gebonden en meestal worden de elementen
openomen van datgene wat je wil uitdrukken.
In de praktjk gebruiken we beide codes voortdurend door elkaar.
Hall (1980) splitste het proces van coderen op in twee fases:
1. Het coderen door de communicator: encoderen
2. Het coderen door de ontvanger: decoderen
, De zender en de ontvanger dienen dus over een gemeenschappelijke code te beschikken om tot
geslaagde communicate te komen.
Encoderen is het omzetten van de inhoud in symbolen of tekens (verbaal of non-verbaal) door de
communicator zodat het via een geschikt kanaal verstuurd kan worden naar de ontvanger, terwijl het
proces van decoderen te situeren is bij de ontvanger.
Decoderen is een dubbel proces. Het slaat zowel op het concreet ontcijferen van de specifeke code
die de zender gebruikt heef (synytactsch), als op het interpreteren of toekennen van betekenis aan
de boodschap (semantsch).
Deze fase van interpretate van de boodschap door de ontvanger leidt tot een belangrijk onderscheid
tussen verschillende vormen van decoderen:
1) Ten eerste kan er sprake zijn van dominante of hegemonische decodering (preferred
reading of voorkeurslezing) waarbij de zender en ontvanger eenzelfde betekenis toekennen
aan de boodschap, zijde de interpretate die de communicator voor ogen had. De ontvanger
aanvaardt met andere woorden de betekenis en beschouwt deze lezing als natuurlijk en
transparant.
2) De tweede vorm is aberrante decodering (opposite or counter-hegemonic reading). In dit
geval geef de ontvanger een andere of afwijkende betekenis aan de boodschap dan deze die
de zender bedoelde. Dit verwerpen van de geëncodeerde betekenis kan bijvoorbeeld een
gevolg zijn van botsende waarden of tegengestelde wereldvisies tussen communicator en
ontvanger.
3) Ten derde is er nog de onderhandelde decodering (negotated reading). Dat is een
tussenvorm waarbij er sprake is van een onderhandeling tussen twee verschillende
betekenissen. In deze situate zal de lezing van de ontvanger niet zoveel afwijken van de
voorkeurslezing van de communicator, maar deze interpretate wordt bijvoorbeeld wel
aangepast aan de situate of de eigen ervaringen, normen of waarden. Voorbeeld: je kan een
grote fan zijn van de The Avengers, maar tegelijkertjd goed besefen dat veel aspecten van
het plot of van de gebeurtenissen niet realistsch zijn. Je kunt je ook storen aan bepaalde
zaken, maar toch blijf je aangetrokken tot het verhaal en haal je er bepaalde boodschappen
of zelfs levenslessen uit.
Het was Gerbner die in 1956 Schramms klassieke model van encoding-decoding voor het eerst
uitbreidde met sociale codes en factoren zoals klasse en gender. In het geval van de communicator
kunnen we verder verwijzen naar het concept van media-logic. Mediaproducenten zijn gebonden
aan bepaalde professionele codes, publiekverwachtngen en conventes, waardoor ze niet om het
even wat kunnen maken en dus encoderen.
Niet elke boodschap is even gemakkelijk te encoderen en te decoderen zoals gedachten, gevoelens
en zintuigelijke ervaringen. Dat verleidde Muylle (2011) tot de volgende relevante uitspraak: ‘ De
grootste beperking van taal (en communicate) ligt in het feit dat betekenissen niet in woorden
zitten, maar in mensen.e
Transmissie, kanaal en medium
Transmissie is het overbrengen van een geëncodeerde boodschap van de communicator naar
ontvanger. Voor de transmissie van een boodschap is er telkens een kanaal nodig. Dat is de
materiële of fysische drager van de boodschap (bijvoorbeeld lucht bij spreken, beweging bij
lichaamstaal of hardware bij informatetechnologie of papier) en is met andere woorden een
verbindingsschakel tussen twee of meer actoren. Het kanaal (bijvoorbeeld telefoonkabel) is dan de
drager van een signaal (fysische grootheid die informate overbrengt, bijvoorbeeld elektronische
golven binnen telefoonnetwerk). Zoals eerder aangehaald is een teken een drager van betekenis.
Veel andere auteurs maken het onderscheid tussen een medium en een kanaal. Beide begrippen
verwijzen in essente naar de manier waarop of het middel waarmee een boodschap