Signaleren van gedrag
Jaar 2- Semester 1
Social Work
Jennifer Huver
Inhoud
60 vragen over de volgende hoofdstukken:
Hoofdstuk 1- Introductie
Hoofdstuk 2- Classificatie, diagnostiek en epidemiologie
Hoofdstuk 7- Gehechtheid en hechtingsstoornissen
Hoofdstuk 8- Autismespectrumstoornis
Hoofdstuk 11- Zelfregulatie en aandachtsdeficiëntie-/ hyperactiviteitsstoornis
Hoofdstuk 12- Agressie en gedragsstoornissen
Hoofdstuk 13- Angst en angststoornissen
Hoofdstuk 14- Stemming en stemmingsstoornissen
Hoofdstuk 16- Stoornissen in middelengebruik en gokverslaving
Antwoorden onder aan het bestand. Er is altijd maar 1 antwoord mogelijk. Er is alleen gebruik
gemaakt van het boek ‘Ontwikkelingspsychopathologie bij kinderen en jeugdigen’ van Jakop Rigter
en Malou van Hintum. PDF’s en hoorcolleges zijn niet gebruikt voor dit oefententamen. Ook komen
er geen vragen in voor die je online kan vinden bij het boek.
, 1. Een voorbeeld van ‘eerste vorm gedeelde aandacht’ is:
a. Het maken van oogcontact
b. De kant opkijken waar de verzorger ook naartoe kijkt
c. Het aanwijzen van een knuffel waarmee ze willen spelen met de verzorger
2. Er zijn twee stoornissen die vaak (let op: het meest!) gepaard gaan met middelengebruik, welke
zijn dit?
a. Gedragsstoornissen en depressie
b. Gedragsstoornissen en autisme
c. Depressie en angststoornissen
3. Stelling 1: Er zijn evenveel meisjes als jongens die een bipolaire stemmingsstoornis hebben.
Stelling 2: Er zijn meer jongens als meisjes die een depressieve stoornis hebben
a. Stelling 1 is waar, stelling 2 is niet waar
b. Stelling 1 is niet waar, stelling 2 is waar
c. Beide stellingen zijn waar
d. Beide stellingen zijn niet waar
4. Welke theorie is geen theorie om ASS te verklaren?
a. Theorie van executief disfunctioneren
b. Theorie van contextblindheid
c. Theorie van affectieve ontwikkeling
5. Het proces van sociaal-cognitieve ontwikkeling kent drie fasen, dat zijn:
a. Zelfbesef, zelfregulatie en zelfconcept
b. Zelfconcept, zelfregulatie en zelfevaluatie
c. Zelfconcept, zelfevaluatie en zelfbesef
6. Als een kind te vroeg geboren wordt, kan dit negatieve invloed hebben op de hechting. Waar of
niet waar?
a. Waar
b. Niet waar
7. Een angststoornis is (vooral) een internaliserende stoornis. Waar of niet waar?
a. Waar
b. Niet waar
8. Wat wordt bedoeld met psychomotorische stimulatie?
a. Sensitisatie
b. Crossensensitisatie
c. Opwinding/arousal