Samenvatting Hoofdstuk 5 - Therapeutisch besluit: wat kunnen we aan het
probleem doen?
Boek: Klinische redeneren en evidence-based practice
Blz: 101 t/m 110
5.1 - Wat is het verschil tussen een therapie en een interventie?
Therapie/behandeling: Het geheel van interventies gericht op een specifiek (para)
medisch, psychisch of psychosociaal gezondheidsprobleem.
Onder ‘interventie’ verstaan we een of meer patiëntgebonden handelingen met als
gezamenlijk doel het beïnvloeden van een specifiek gezondheidsprobleem.
5.2 - Wordt therapie ook door verpleegkundige uitgevoerd?
De verpleegkundige participeert wel in therapie van behandelaars als artsen,
psychologen en fysiotherapeuten, maar de behandelaar is primair verantwoordelijk voor
de therapie.
Participatief handelen: Het participeren in een behandeling of besluitvorming waardoor
een andere professional dan de verpleegkundige primair verantwoordelijk is.
Autonoom handelen: De verpleegkundige neemt besluiten en handelingen voert zij uit
waar zij zelf primair (als eerste en zelfstandig) verantwoordelijk voor is.
5.3 - Waarom wordt redeneren over interventies dan ‘therapeutisch redeneren’ genoemd?
Reden 1: Wanneer het gaat over de vraag wat we aan een gezondheidsprobleem
kunnen doen.
Reden 2: Dat er in de Nederlandse taal geen goed alternatief is voor het begrip
‘therapeutisch redeneren’ dat het woord ‘interventie’ omvat.
5.4 - Wat is therapeutische redeneren?
Een therapeutische redeneren is een vorm van klinisch redeneren.
Het is erop gericht een antwoord te geven op de vraag wat de beste interventie is voor
de individuele patiënt met een specifiek gezondheidsprobleem.
De verpleegkundige overweegt het wetenschappelijk bewijs voor het effect van de
interventie, het aangrijpingspunt van de interventie en het veronderstelde
werkingsmechanisme van de interventie.
5.5 - Hoe weet je welke interventies beschikbaar zijn?
Een groot deel van de verpleegkundige zorg omvat standaardsituaties, waarbij al
vaststaat wat de standaardzorgverlening moet zijn.
De standaardverlening is vastgelegd in protocollen.
Een volgende bron van interventies is de vakliteratuur. Een deel van de interventies is in
de achtergrondliteratuur te vinden.
Verder kan de verpleegkundige naar evidence-based interventie zoeken in de
voorgrondliteratuur, in de richtlijnen of in de vakliteratuur.
5.6 - Hoe weet ik welke effecten ik van een interventie mag verwachten? En hoe weet ik of er
sterk bewijs voor deze effecten is?
Indien de interventie in de wetenschappelijke voorgrondliteratuur beschreven is hoort
in het desbetreffende artikel informatie te staan over de effecten van de interventies.
Bij het beoordelen van effecten van interventies is het belangrijk om na te gaan of de
outcome die voor de eigen patiënt het belangrijkste is, wel onderzocht is.
Bij de beoordeling van de geschiktheid van een interventie moeten de voor- en
nadelen tegen elkaar worden afgewogen.
probleem doen?
Boek: Klinische redeneren en evidence-based practice
Blz: 101 t/m 110
5.1 - Wat is het verschil tussen een therapie en een interventie?
Therapie/behandeling: Het geheel van interventies gericht op een specifiek (para)
medisch, psychisch of psychosociaal gezondheidsprobleem.
Onder ‘interventie’ verstaan we een of meer patiëntgebonden handelingen met als
gezamenlijk doel het beïnvloeden van een specifiek gezondheidsprobleem.
5.2 - Wordt therapie ook door verpleegkundige uitgevoerd?
De verpleegkundige participeert wel in therapie van behandelaars als artsen,
psychologen en fysiotherapeuten, maar de behandelaar is primair verantwoordelijk voor
de therapie.
Participatief handelen: Het participeren in een behandeling of besluitvorming waardoor
een andere professional dan de verpleegkundige primair verantwoordelijk is.
Autonoom handelen: De verpleegkundige neemt besluiten en handelingen voert zij uit
waar zij zelf primair (als eerste en zelfstandig) verantwoordelijk voor is.
5.3 - Waarom wordt redeneren over interventies dan ‘therapeutisch redeneren’ genoemd?
Reden 1: Wanneer het gaat over de vraag wat we aan een gezondheidsprobleem
kunnen doen.
Reden 2: Dat er in de Nederlandse taal geen goed alternatief is voor het begrip
‘therapeutisch redeneren’ dat het woord ‘interventie’ omvat.
5.4 - Wat is therapeutische redeneren?
Een therapeutische redeneren is een vorm van klinisch redeneren.
Het is erop gericht een antwoord te geven op de vraag wat de beste interventie is voor
de individuele patiënt met een specifiek gezondheidsprobleem.
De verpleegkundige overweegt het wetenschappelijk bewijs voor het effect van de
interventie, het aangrijpingspunt van de interventie en het veronderstelde
werkingsmechanisme van de interventie.
5.5 - Hoe weet je welke interventies beschikbaar zijn?
Een groot deel van de verpleegkundige zorg omvat standaardsituaties, waarbij al
vaststaat wat de standaardzorgverlening moet zijn.
De standaardverlening is vastgelegd in protocollen.
Een volgende bron van interventies is de vakliteratuur. Een deel van de interventies is in
de achtergrondliteratuur te vinden.
Verder kan de verpleegkundige naar evidence-based interventie zoeken in de
voorgrondliteratuur, in de richtlijnen of in de vakliteratuur.
5.6 - Hoe weet ik welke effecten ik van een interventie mag verwachten? En hoe weet ik of er
sterk bewijs voor deze effecten is?
Indien de interventie in de wetenschappelijke voorgrondliteratuur beschreven is hoort
in het desbetreffende artikel informatie te staan over de effecten van de interventies.
Bij het beoordelen van effecten van interventies is het belangrijk om na te gaan of de
outcome die voor de eigen patiënt het belangrijkste is, wel onderzocht is.
Bij de beoordeling van de geschiktheid van een interventie moeten de voor- en
nadelen tegen elkaar worden afgewogen.