Samenvatting Trainingsleer
Uithoudingsvermogen:
Energiesystemen:
1. ATP/CP (anaeroob alactisch) -> 0-20 sec (intensiteit 90-100%) (hersteltijd 2-5 min)
2. Anaeroob (lactisch) -> 20 sec tot 3 min (intensiteit 80-95%)
3. Aeroob -> na 3 minuten (intensiteit 45-90%)
4. Aeroob lactisch
5. Vetverbranding
Trainingscapaciteit -> totale hoeveelheid energie die beschikbaar is.
Wedstrijdvermogen -> maximale hoeveelheid energie die ontwikkeld kan worden.
VO2-max -> maximale hoeveelheid zuurstof die iemand tijdens het sporten kan gebruiken.
Testen voor de VO2-max:
- Cooper test
- Shutlle run test
- Astrand test
- Zoladz-test -> op mindere hartrequentie zo lang mogelijk hardlopen en zo opbouwen richting
hogere hartfrequentie, verkeerd om werken.
Maximale hartfrequentie -> 220 - leeftijd
- Elke activiteit en sport heeft een eigen HF-max.
- HF-max lager bij zwemmen door hydrostatische druk (85%).
- Verschillend per individu per sport.
Karvonen formule -> Trainingshartfrequentie = HF-rust + 50-85% x HF-reserve (HF-reserve = HF-max –
HF-rust)
- Tussen 45-55% van HF-reserve = wennen aan trainingsprikkel
- Tussen 55-65% van HF-reserve = gericht op gezondheid, minder op fitheid
- Tussen 65% en 85% van HF-reserve = gericht op aeroob duuruithoudingsvermogen
- Boven 85% = training boven de anaerobe drempel
Energieleverende systemen:
- Energie gehaald uit koolhydraten, vetten en eiwitten.
- ATP levert energie en dan wordt het ADP, die heeft weer energie nodig om ATP te maken.
Hier zorgt CP voor (zeer beperkt)
- Glycolyse -> glucose afgebroken en glycogeen uit de bloedbaan voor energie. Gevormde
pyrodruivenzuur wordt omgezet in lactaat en 2 ATP.
- Aerobe energie -> langdurige inspanning, zuurstof uit bloed (hemoglobine). Pyrodruivenzuur
omgezet in H2O, CO2 en 36 ATP.
Grondmotorische eigenschappen (CLUSK):
- Kracht -> spiekracht zet het lichaam in beweging
- Snelheid -> afstand die per tijdseenheid wordt afgelegd
- Uithoudingsvermogen -> volhouden van lichamelijke belasting
, - Lenigheid -> flexibiliteit in bewegingsuitslagen van gewrichten
- Coördinatie (altijd op 1) -> onderlinge afstemming van motorunits
Voetbal:
1. Coördinatie
2. Snelheid
3. Uithoudingsvermogen
4. Kracht
5. Lenigheid
Roeien:
1. Coördinatie
2. Kracht
3. Uithoudingsvermogen
4. Snelheid
5. Lenigheid
Tennis:
1. Coördinatie
2. Kracht en snelheid (snelle arm)
3. Uithoudingsvermogen, korte sprints
4. Snelheid, uithoudingsvermogen (snel verplaatsen)
5. Lenigheid (blessurepreventie)
Schaatsen sportanalyse:
1. Coördinatie (balans, techniek)
2. Kracht (afzet, start)
3. Uithoudingsvermogen (afhankelijk afstand)
4. Snelheid (hoog bewegingsritme)
5. Lenigheid
Volleybal basketbal sportanalyse:
1. Coördinatie (oog, hand, sprong, timing)
2. Kracht, snelheid (springen, wenden en snelle arm)
3. Uithoudingsvermogen, kracht (verplaatsen)
4. Snelheid (verplaatsen)
5. Lenigheid
Handbal sportanalyse:
1. Coördinatie (hand, gooien, oog)
2. Kracht (bal gooien)
3. Uithoudingsvermogen (verplaatsing)
4. Snelheid (verplaatsing)
5. Lenigheid
Uithoudingsvermogen:
Energiesystemen:
1. ATP/CP (anaeroob alactisch) -> 0-20 sec (intensiteit 90-100%) (hersteltijd 2-5 min)
2. Anaeroob (lactisch) -> 20 sec tot 3 min (intensiteit 80-95%)
3. Aeroob -> na 3 minuten (intensiteit 45-90%)
4. Aeroob lactisch
5. Vetverbranding
Trainingscapaciteit -> totale hoeveelheid energie die beschikbaar is.
Wedstrijdvermogen -> maximale hoeveelheid energie die ontwikkeld kan worden.
VO2-max -> maximale hoeveelheid zuurstof die iemand tijdens het sporten kan gebruiken.
Testen voor de VO2-max:
- Cooper test
- Shutlle run test
- Astrand test
- Zoladz-test -> op mindere hartrequentie zo lang mogelijk hardlopen en zo opbouwen richting
hogere hartfrequentie, verkeerd om werken.
Maximale hartfrequentie -> 220 - leeftijd
- Elke activiteit en sport heeft een eigen HF-max.
- HF-max lager bij zwemmen door hydrostatische druk (85%).
- Verschillend per individu per sport.
Karvonen formule -> Trainingshartfrequentie = HF-rust + 50-85% x HF-reserve (HF-reserve = HF-max –
HF-rust)
- Tussen 45-55% van HF-reserve = wennen aan trainingsprikkel
- Tussen 55-65% van HF-reserve = gericht op gezondheid, minder op fitheid
- Tussen 65% en 85% van HF-reserve = gericht op aeroob duuruithoudingsvermogen
- Boven 85% = training boven de anaerobe drempel
Energieleverende systemen:
- Energie gehaald uit koolhydraten, vetten en eiwitten.
- ATP levert energie en dan wordt het ADP, die heeft weer energie nodig om ATP te maken.
Hier zorgt CP voor (zeer beperkt)
- Glycolyse -> glucose afgebroken en glycogeen uit de bloedbaan voor energie. Gevormde
pyrodruivenzuur wordt omgezet in lactaat en 2 ATP.
- Aerobe energie -> langdurige inspanning, zuurstof uit bloed (hemoglobine). Pyrodruivenzuur
omgezet in H2O, CO2 en 36 ATP.
Grondmotorische eigenschappen (CLUSK):
- Kracht -> spiekracht zet het lichaam in beweging
- Snelheid -> afstand die per tijdseenheid wordt afgelegd
- Uithoudingsvermogen -> volhouden van lichamelijke belasting
, - Lenigheid -> flexibiliteit in bewegingsuitslagen van gewrichten
- Coördinatie (altijd op 1) -> onderlinge afstemming van motorunits
Voetbal:
1. Coördinatie
2. Snelheid
3. Uithoudingsvermogen
4. Kracht
5. Lenigheid
Roeien:
1. Coördinatie
2. Kracht
3. Uithoudingsvermogen
4. Snelheid
5. Lenigheid
Tennis:
1. Coördinatie
2. Kracht en snelheid (snelle arm)
3. Uithoudingsvermogen, korte sprints
4. Snelheid, uithoudingsvermogen (snel verplaatsen)
5. Lenigheid (blessurepreventie)
Schaatsen sportanalyse:
1. Coördinatie (balans, techniek)
2. Kracht (afzet, start)
3. Uithoudingsvermogen (afhankelijk afstand)
4. Snelheid (hoog bewegingsritme)
5. Lenigheid
Volleybal basketbal sportanalyse:
1. Coördinatie (oog, hand, sprong, timing)
2. Kracht, snelheid (springen, wenden en snelle arm)
3. Uithoudingsvermogen, kracht (verplaatsen)
4. Snelheid (verplaatsen)
5. Lenigheid
Handbal sportanalyse:
1. Coördinatie (hand, gooien, oog)
2. Kracht (bal gooien)
3. Uithoudingsvermogen (verplaatsing)
4. Snelheid (verplaatsing)
5. Lenigheid