Dubbelop
- Onjuiste herhaling; als een vast voorzetsel ten onrechte twee keer wordt gebruikt.
VB: Aan dat gepraat over voetbal op zondagavond heb ik een hekel aan.
- Tautologie; als hetzelfde twee keer wordt gezegd met synoniemen.
VB: Niettemin ben ik toch tevreden.
- Pleonasme; een deel van de betekenis van een woord of woordgroep wordt nog eens door
een andere woord uitgedrukt.
VB: De meeste slachtoffers van vuurwerk rond oud en nieuw zijn minderjarige kinderen.
- Contaminatie; als twee woorden of uitdrukkingen worden verward en ten onrechte worden
vermengd.
VB: door de war halen. (in de war raken - door elkaar halen)
Zich irriteren aan. (zich ergeren aan - irriteren)
- Dubbele ontkenning; in een zin twee woorden die ontkennend zijn.
VB: je moet voorkomen dat je geen fouten maakt.
Fouten met verwijzen
- Onjuist verwijzen; het woord of de woordgroep waarnaar een verwijswoord terugwijst, heet
het antecedent. Als het een woordgroep is zoek je naar de kern.
Mannelijk, vrouwelijk, onzijdig?
Onzijdige woorden het woorden. Je verwijst het met het of zijn. Namen van landen, provincies,
steden en clubs en verkleinwoorden.
VB: Naarden (o) is blij met zijn vestiging.
Mannelijke woorden de-woorden. Je verwijst met hij, hem en zijn.
VB: Mijn radio doet het niet meer, maar gelukkig kan hij gerepareerd worden.
Vrouwelijke woorden de-woorden. Je verwijst met zij, ze, haar. Soms kun je zien dat het
vrouwelijk is, door bv een vrouwelijk dier of persoon.
VB: De wijkvereniging vroeg aan haar leden om mee te helpen.
, Bij de volgende achtervoegsels weet je dat het vrouwelijk is.
-heid (minderheid) -ij (tovenarij)
-nis (geschiedenis) -iek (politiek)
-ing (beweging) -theek (bibliotheek)
-schap (vriendschap) -teit (universiteit)
-te (gewoonte) -uur (natuur)
-de (waarde) -st (opbrengst)
-ie (politie)
Die deze of dat dit?
Die/deze: de-woorden
VB: de oude man, die zo lief is.
Dat/dit: het-woorden
VB: het mooie huis, dat zo groot is.
Hen of hun?
Hen: wanneer het verwijswoord lijdend voorwerp is,
Hun: als het een meew. voorwerp is en er geen voorzetsel voor staat. Gebruik hun nooit als ondw!
Dat of wat?
Dat: gebruik je als je verwijst naar het-woorden
VB: het bekertje dat daar staat is groen
Wat: gebruik je als je verwijst naar; een overtreffende trap, een onbepaald voornaamwoord (iets,
niets, iemand etc.), een hele zin of een deel van de zin.
VB: Winnen is het beste wat me is overkomen.
VB: Deze man kan niets wat hij beloofd heeft.
VB: Veel mensen investeren in bitcoins, wat goed is voor de economie.
Wie of waar?
Wie: bij personen; voorzetsel + wie
VB: De producent aan wie het toneelstuk was opgedragen.
Wat: bij zaken; waar + voorzetsel
VB: Het voorval waaraan de spreker dacht was lastig.
Onduidelijk verwijzen
- Er is soms geen antecent aangegeven en weet je niet waar over het gaat
VB: Er is een tekort aan donororganen, terwijl iedereen het kan doen. er is een tekort aan
donororganen, terwijl iedereen donor kan worden.
- Er zijn juist te veel antecedenten.
VB: Gisteren stuurde de voorzitter van de ondernemingsraad, die protesteert tegen de nieuw
overurenregeling alle werknemers een toelichtende brief. de voorzitter van de
ondernemingsraad protesteert tegen de nieuwe overurenregeling. Daarom stuurde hij
gisteren alle werknemers een toelichtende brief.