H12 12 tm 12.2.5 De cognitieve ontwikkeling in de schooltijd. 7-12 jaar
In de schooltijd maakt de cognitieve ontwikkeling van kinderen sprongen vooruit.
De kinderen veranderen in deze tijd. Ze zijn niet meer egocentrisch als in de peuter/kleutertijd.
Concreet-operationeel stadium: de periode van cognitieve ontwikkelingen die worden gekenmerkt
door het actieve en juiste gebruik van logica. Tussen 7-12 jaar. Kinderen die zo kunnen denken
kunnen, kunnen logische operaties toepassen op concrete problemen.
VB: Snelheid en tijd verband, 2 auto’s rijden andere snelheden maar leggen zelfde afstand af.
Concreet operationele stadium ze blijven vastzitten aan concrete fysieke werkelijkheid.
Decentreren: het vermogen om rekening te houden met verschillende aspecten in situaties.
Reversibiliteit: Het vermogen een uitgevoerde handeling (in gedachte) weet terug te draaien.
VB: klei was eerst een stuk, vervolgens een vorm die je maakt, vervolgens kan het weer gevormd
worden naar het oorspronkelijk stuk.
VB: vijf plus drie is achter. Andersom is drie plus vijf ook acht.
Herinnering: het proces waarmee informatie gecodeerd, opgeslagen en weer wordt opgehaald.
Informatieverwerking tijdens de schooltijd: kinderen leren steeds beter omgaan met informatie.
1. Codering (Toetsenbord)
2. Opgeslagen/ intern (harde schijf)
3. Ophalen Driesystemen benadering: (beeldscherm
- Sensorisch (zintuigelijk geheugen) opslaan stimuli
- Korte termijn geheugen
- Lange termijngeheugen
-
Mindmap: diagram waarin een centraal thema omgeven wordt door gerelateerde onderwerpen en
sub onderwerpen.
Cognitieve elaboratie: koppeling van mentale beelden aan informatie die iemand wil onthouden.
Syntaxis: De regels voor het combineren van woorden en frasen tot zinnen.
Pragmatiek: de taalregels voor communicatie in een sociale context.
Intelligentie: het vermogen om de wereld te begrijpen, rationeel te denken en effectief middelen in
te zetten als men geconfronteerd wordt met problemen.
Intelligentietest Binet wat leverde de test van Binet op?
- Trail-and-errorproces
- Koppeling die hij maakte tussen intelligentie en schoolprestaties.
- Hij koppelde de intelligentietest aan een mentale leeftijd
Mentale leeftijd: het gemiddelde intelligentieniveau van mensen van een bepaalde kalenderleeftijd.
Kalenderleeftijd: iemand fysieke leeftijd.
Intelligentiequotiënt (IQ): een score die de verhouding uitdrukt tussen iemands mentale leeftijd en
zijn kalenderleeftijd. IQ score = ML/KL x 100 (VB: iemand is mentaal 17 en echt 20 = 17/20x100)
Gemiddelde IQ
score = 100
In de schooltijd maakt de cognitieve ontwikkeling van kinderen sprongen vooruit.
De kinderen veranderen in deze tijd. Ze zijn niet meer egocentrisch als in de peuter/kleutertijd.
Concreet-operationeel stadium: de periode van cognitieve ontwikkelingen die worden gekenmerkt
door het actieve en juiste gebruik van logica. Tussen 7-12 jaar. Kinderen die zo kunnen denken
kunnen, kunnen logische operaties toepassen op concrete problemen.
VB: Snelheid en tijd verband, 2 auto’s rijden andere snelheden maar leggen zelfde afstand af.
Concreet operationele stadium ze blijven vastzitten aan concrete fysieke werkelijkheid.
Decentreren: het vermogen om rekening te houden met verschillende aspecten in situaties.
Reversibiliteit: Het vermogen een uitgevoerde handeling (in gedachte) weet terug te draaien.
VB: klei was eerst een stuk, vervolgens een vorm die je maakt, vervolgens kan het weer gevormd
worden naar het oorspronkelijk stuk.
VB: vijf plus drie is achter. Andersom is drie plus vijf ook acht.
Herinnering: het proces waarmee informatie gecodeerd, opgeslagen en weer wordt opgehaald.
Informatieverwerking tijdens de schooltijd: kinderen leren steeds beter omgaan met informatie.
1. Codering (Toetsenbord)
2. Opgeslagen/ intern (harde schijf)
3. Ophalen Driesystemen benadering: (beeldscherm
- Sensorisch (zintuigelijk geheugen) opslaan stimuli
- Korte termijn geheugen
- Lange termijngeheugen
-
Mindmap: diagram waarin een centraal thema omgeven wordt door gerelateerde onderwerpen en
sub onderwerpen.
Cognitieve elaboratie: koppeling van mentale beelden aan informatie die iemand wil onthouden.
Syntaxis: De regels voor het combineren van woorden en frasen tot zinnen.
Pragmatiek: de taalregels voor communicatie in een sociale context.
Intelligentie: het vermogen om de wereld te begrijpen, rationeel te denken en effectief middelen in
te zetten als men geconfronteerd wordt met problemen.
Intelligentietest Binet wat leverde de test van Binet op?
- Trail-and-errorproces
- Koppeling die hij maakte tussen intelligentie en schoolprestaties.
- Hij koppelde de intelligentietest aan een mentale leeftijd
Mentale leeftijd: het gemiddelde intelligentieniveau van mensen van een bepaalde kalenderleeftijd.
Kalenderleeftijd: iemand fysieke leeftijd.
Intelligentiequotiënt (IQ): een score die de verhouding uitdrukt tussen iemands mentale leeftijd en
zijn kalenderleeftijd. IQ score = ML/KL x 100 (VB: iemand is mentaal 17 en echt 20 = 17/20x100)
Gemiddelde IQ
score = 100