Wieger van dalen
Hoofdstuk 1, moraal een kwestie van oordelen
1.1 het intuïtief moreel oordeel
Moreel oordeel = oordeel dat gaat over gedrag van mensen en hoe ze met elkaar omgaan
Intuïtief moreel oordeel = oordeel dat vanzelf komt
Drie processen die in bewustzijn afspeelt
- oordeel dat iets goed/slecht is (oordeel)
- kent je oordeel (kennen)
- voelt dat je het oneens bent met ander. Oordeel brengt gevoel met zich mee (voelen)
1.2 Het verschil tussen kennen, oordelen en voelen
Objectiveren: Wat gebeurd plaats je buiten jezelf > beschrijft het vervolgens
Subjectiveren: Iets wat gebeurd en waar je langer mee bezig bent. VB. trein missen
Normeren: Gedrag van anderen verbinden met je eigen oordeel
1.3 Waaraan herken je een moreel oordeel?
Moreel oordeel
1. Gaat over menselijk gedrag
2. Overstijgt het individu (is veralgemeniseerbaar)
3. Is normatief (hoe het moet)
4. Gericht op het goede
5. Kan morele verontwaardiging veroorzaken
Universaliteits principe = oordelen in 1 situatie betekent automatisch ook oordelen over
anderen in zo’n zelfde situatie
Morele uitgangspunten = omschrijving van iets dat op zichzelf nastrevenswaardig is
betreffende menselijk samenleven
1.4 Ethiek, moraal en het moraal vertoog
Moreel oordeel is niet objectief, niet persoonlijk (subjectief). Ze beperken zich tot jou
binnenwereld
Moraal = Gedeelde morele oordelen van meerdere mensen of een groep. Geheel van morele
regels
Ethiek = studie, de wetenschap van de morele regels
, Normen en waarden zijn universeel
Morele oordelen verschillen tussen mensen
moreel vertoog = Het geheel aan communicatie en interactie waarin mensen hun morele
oordelen, en daarmee hun moraal vormen en op elkaar afstemmen.
1.5 morele competenties
Wanneer een morele intuïtie tekort schiet als professional
- morele intuïtie is niet uit te leggen
- als je alleen intuïtief oordeelt, kun je niet leren van fouten en successen
- intuïtie bereid je niet voor op nieuwe situaties
morele vraag = vraag formuleren + kijken of we goede argumenten kunnen vinden om tot
een antwoord te komen waar je achter staat.
Hoofdstuk 2, Normen waarden en deugden
2.1 Normen
Norm = Argument in de vorm van een regel waar je je aan moet houden. Zelf opgelegde
regel die gedrag voorschrijft betreffende goed samenleven.
Morele regels + wettelijke rechten = goed samenleven
2.2 waarden
Voorop gesteld doel = waarde
Morele waarde = Ideaal, principe betreffende goed samenleven dat we proberen te
realiseren d.m.v. ons gedrag
Waarden zijn abstracte idealen of doelen die men d.m.v. bepaald gedrag nastreeft. Normen
zijn concrete regels die als praktische richtlijn voor het handelen functioneren
2.3 Deugden
Deugden= middenweg tussen 2 negatieve extremen. Goede karaktereigenschap betreffende
goed samenleven ( aan te leren )
2.4 Etnische theorieën
Interne theorie = Systeem van benaderen van een stukje werkelijkheid. VB. overtuiging dat
je altijd vriendelijk moet zijn. politieke partijen hebben vaak interne theorieën.
Etnische theorie = Een denksysteem in de ethiek