Voeding en Ethiek 4.1
Thema 2
Alle mogelijke tentamenvragen van thema 1 zijn in dit document beantwoord.
THEMA 2
Volgens Korthals hebben filosofen te weinig aandacht gehad voor het feit dat honger
twee dimensies kent, namelijk een kwantitatieve en een kwalitatieve. Wat is het verschil
tussen deze twee dimensies?
Kwantitatieve honger gaat over hoeveel er wordt gegeten, kwalitatieve honger gaat over
wat en hoe je eet.
Korthals legt op pagina 141 het belang van voedselsoevereiniteit uit. Wat betekent
voedselsoevereiniteit? Hoe ziet er dat er volgens Korthals in de praktijk uit? Beschrijf
twee voorbeelden en verklaar hoe dit in de praktijk kan worden gebracht en wat
daarvoor nodig is.
Voedseloevereiniteit: Het recht van volken om eigen landbouw en voedsel politiek vast
te stellen. Volgens Korthals heeft het geen zin om zomaar iets te geven. Voorbeeld: Een
boer weet zelf het beste wat er op zijn grond groeit, laat dit hem dus zelf beslissen. Als je
een boer die rijst wilt verbouwen zaden geeft voor graan, terwijl dit niet op zijn grond
kan groeien dan heeft hij er niets aan. Een ander voorbeeld is: geef de visser geen vis
maar een hengel. Op die manier maak je de visser niet afhankelijk van je en kan de visser
zijn kwaliteiten gebruiken om zelf voedsel te kunnen produceren. Zo verplaats je niet het
probleem maar los je hem op.
Wereldwijd heerst een enorm ongelijkheid betreffende de productiemiddelen van
voeding. Overvloed bij de ene groep en honger en ondervoeding bij de andere zijn het
gevolg. Korthals citeert een aantal keer filosoof: "Sterven is het lot van sommige mensen
die niet genoeg te eten hebben. Het is geen kenmerk van de afwezigheid van voldoende
voedsel'. Beschrijf drie belangrijke oorzaken van deze ongelijkheid. Wat vind jij dat onze
overheid kan betekenen en prioriteit aan moet schenken? Noem twee punten die wat
jou betreft als eerste aangepakt dienen te worden.
Toegang tot voeding: doordat sommige mensen een zeer laag inkomen hebben is er
slecht toegang tot voeding. Ook kost voeding soms heel veel. In het westen besteden we
10-20% van het inkomen aan voeding, in Afrika het dubbele.
Het OECD investeert 55 miljard in ontwikkelingshulp, maar 365 miljard aan landbouw
Thema 2
Alle mogelijke tentamenvragen van thema 1 zijn in dit document beantwoord.
THEMA 2
Volgens Korthals hebben filosofen te weinig aandacht gehad voor het feit dat honger
twee dimensies kent, namelijk een kwantitatieve en een kwalitatieve. Wat is het verschil
tussen deze twee dimensies?
Kwantitatieve honger gaat over hoeveel er wordt gegeten, kwalitatieve honger gaat over
wat en hoe je eet.
Korthals legt op pagina 141 het belang van voedselsoevereiniteit uit. Wat betekent
voedselsoevereiniteit? Hoe ziet er dat er volgens Korthals in de praktijk uit? Beschrijf
twee voorbeelden en verklaar hoe dit in de praktijk kan worden gebracht en wat
daarvoor nodig is.
Voedseloevereiniteit: Het recht van volken om eigen landbouw en voedsel politiek vast
te stellen. Volgens Korthals heeft het geen zin om zomaar iets te geven. Voorbeeld: Een
boer weet zelf het beste wat er op zijn grond groeit, laat dit hem dus zelf beslissen. Als je
een boer die rijst wilt verbouwen zaden geeft voor graan, terwijl dit niet op zijn grond
kan groeien dan heeft hij er niets aan. Een ander voorbeeld is: geef de visser geen vis
maar een hengel. Op die manier maak je de visser niet afhankelijk van je en kan de visser
zijn kwaliteiten gebruiken om zelf voedsel te kunnen produceren. Zo verplaats je niet het
probleem maar los je hem op.
Wereldwijd heerst een enorm ongelijkheid betreffende de productiemiddelen van
voeding. Overvloed bij de ene groep en honger en ondervoeding bij de andere zijn het
gevolg. Korthals citeert een aantal keer filosoof: "Sterven is het lot van sommige mensen
die niet genoeg te eten hebben. Het is geen kenmerk van de afwezigheid van voldoende
voedsel'. Beschrijf drie belangrijke oorzaken van deze ongelijkheid. Wat vind jij dat onze
overheid kan betekenen en prioriteit aan moet schenken? Noem twee punten die wat
jou betreft als eerste aangepakt dienen te worden.
Toegang tot voeding: doordat sommige mensen een zeer laag inkomen hebben is er
slecht toegang tot voeding. Ook kost voeding soms heel veel. In het westen besteden we
10-20% van het inkomen aan voeding, in Afrika het dubbele.
Het OECD investeert 55 miljard in ontwikkelingshulp, maar 365 miljard aan landbouw