Bronnen: L1: Brikgreve (blz. 44-47), van Poppel (blz. 3 – 8), van der Horst (blz. 126
– 135), de Graaf (CBS, blz. 82 – 87). L2: de Graaf (CBS, blz. 87 – 94). L3: Aalbers-
van Leeuwen, van Hees & Hermans (blz. 41 – 52), van der Horst (blz. 18 – 20).
Leerdoel 1: Hoe zijn traditionele gezinnen overgegaan naar moderne gezinnen?
1) Kenmerken/Ontwikkeling van Traditionele & Moderne Gezinnen
Onder een gezin wordt verstaan elk leefverband van één of meer volwassenen
die verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van één of meer
kinderen, ongeacht de leeftijd van de kinderen. De eerste belangrijke verandering
op het gebied van gezinsleven is de Eerste Demografische Transitie, waarin
sterftecijfers daalden en het ongebruikelijker was om te scheiden dan eerder.
Maar vanaf de jaren ’60 tot de jaren ’80 vond de Tweede Demografische
Transitie plaats, onder andere omdat normen en waarden tegenover gezins- en
relatievorming veranderden. Echter blijkt het traditionele gezin de overhand te
houden, want meer dan de helft van de thuiswonende kinderen bleek in een gezin
te wonen met twee ouders. Dit is relatief zelfs vaker dan midden 19 e eeuw. De
overige kinderen groeien op in zogenaamde moderne gezinnen.
Traditionele / Vroegere Gezinnen: Kenmerken & Ontwikkeling
Vroeger had ouderschap en opvoeding overleven en het overdragen van kennis
en vaardigheden als doel. De zorg was voornamelijk materieel: de zorg voor
voedsel, kleding, onderdak en verwarming. Er was weinig aandacht voor de
psychologische ontwikkeling van kinderen.
Religie speelde in die tijd een grote rol in de denk- en belevingswereld van
mensen. Religieuze voorschriften waren bepalend voor een belangrijk
gedeelte van het doen en laten van de mensen.
De samenleving was daarnaast erg hiërarchisch en gezagsverhoudingen
waren vanzelfsprekend. Mannen hadden gezag over vrouwen en ouders
hadden gezag over hun kinderen. Echter is opvallend dat de scheidslijnen
tussen mannen en vrouwen minder duidelijk waren dan midden 20 e eeuw.
Mannen en vrouwen werkten samen, maar hadden andere taken.
In de 20e eeuw werd het ideaal anders: mannen waren de kostwinners en
vrouwen bleven vaker thuis om voor de kinderen te zorgen. Ouders brachten
1
, kinderen gehoorzaamheid bij en de opvoeding bleef gericht op orde en discipline.
Kinderen moesten zich aanpassen aan de eisen en belangen van het gehele
gezin.
Traditioneel Modern
Verschillende processen hebben invloed gehad op de ontwikkeling van het
gezinsleven. De invloed van religie verminderde, huwelijks was niet langer heilig
en kon ontbonden worden. Seks voor het huwelijk werd gewoner en dankzij
anticonceptie werd men minder snel zwanger. Er ontwikkelde zich een cultuur
van zelfbepaling, waarbij eigen keuze en eigen wil centraal stonden.
Verhoudingen werden minder formeel en losser. Dit houdt in dat er hogere
eisen aan zelfreguleren werden gesteld. Als er minder gedragsregels van
buitenaf bepaald worden en er minder sancties zijn om deze af te dwingen,
moet de regulering vanuit binnen komen. Ouders hopen in deze tijd vaak
dat kinderen uit zichzelf willen wat zij als ouders denken wat goed voor hen
is. Kinderen kregen meer te zeggen binnen het gezin en hun stem telt
meer mee. Gezag en traditie zijn vervangen door overleg en instemming.
Daarnaast zijn de grenzen tussen kindertijd en volwassenheid minder duidelijk
geworden. In de jaren ’50 was het duidelijk dat spelen en school onderdeel waren
van de kindertijd. Echter zijn ondertussen de mijlpalen voor, vooral
hoogopgeleide, jongeren minder traditioneel. Volwassenheid wordt nu meer
psychologische geformuleerd: loskomen van je ouders, autonomie en weten wat
je zelf wilt. Er is meer tijd en acceptatie voor het experimenten met relaties en de
identiteit.
Het nieuwe doel van opvoeding is ontwikkelingsstimulering. Dit is het
optimaliseren van de cognitieve- en sociale-emotionele ontwikkeling van
kinderen. Dit nieuwe doel is mede ontstaan door angst voor sociale daling, in de
huidige wereld met veel concurrentie en voortdurend veranderende houdingen.
Ouders vinden het belangrijk dat hun kinderen goed uitgerust zijn voor een leven
waarmee de ouders niet vertrouwd zijn.
Moderne Gezinnen: Een- of Tweeoudergezinnen
Er zijn ruim 2,5 miljoen gezinnen met thuiswonende kinderen. Het aantal
getrouwde paren met kinderen is nog steeds in de meerderheid met 1,7 miljoen.
Het aantal eenoudergezinnen is groter dan het aantal niet-getrouwde paren
met kinderen, maar deze laatste gezinsvorm is in opkomst. Grotere gezinnen met
drie of meer kinderen vormen tegenwoordig de minderheid.
Bijna de helft van de niet-getrouwde samenwoners heeft één thuiswonend kind.
Van de getrouwde samenwoners is dat een derde. Dit verschil komt doordat niet-
getrouwde samenwoners jonger zijn dan de getrouwde samenwoners en een
deel van deze groep trouwt na het krijgen van het eerste kind.
Het groter aandeel eenoudergezinnen met één kind valt te verklaren door het feit
dat ouders met één kind een grotere kans hebben op het verbreken van de relatie
dan ouders met twee of meer kinderen. Ongeveer de helft van de
eenoudergezinnen is namelijk ontstaan door een echtscheiding.
Meestal blijven kinderen na een echtscheiding bij hun moeder wonen,
waardoor acht op de tien eenoudergezinnen een vrouw als opvoeder
hebben. Daarnaast zijn er ook een aantal eenoudergezinnen met vrouwen
2