Paragraaf 1 Weefselonderzoek
Bij kanker is de celdeling van een cel ontregeld en ontstaat een gezwel. De
medische naam voor gezwel is een tumor.
Biopsie
Om met een microscoop een tumor te onderzoeken is weefsel van een patiënt nodig.
Het verzamelen van weefsel wordt biopsie genoemd, het afgenomen weefsel biopt.
Vaak vindt biopsie plaats door met een naald een klein beetje weefsel te verzamelen,
maar het kan ook dat het weefsel tijdens een operatie wordt verzameld. Een biopsie
wordt ook gedaan om andere afwijkingen op te sporen. Het is belangrijk dat er op de
juiste plaats wordt geprikt. Met behulp van een echoapparaat kan de naald worden
gevolgd, maar zelfs daarmee blijft het in sommige gevallen lastig om het juiste
weefsel te verzamelen en moet een tweede keer worden geprikt.
Paragraaf 2 Zelf cellen bekijken
Antoni van Leeuwenhoek was de uitvinder van de microscoop.
Een preparaat
Om cellen met een microscoop te bekijken maak je eerst een preparaat. Bij
lichtmicroscopen valt licht van onder door het preparaat. Om licht door te laten moet
het object erg dun zijn. Een preparaat leg je op de tafel van de microscoop en zet je
vast met de preparaatklemmen. Daarna stel je de microscoop in. De vergroting van
je microscoop reken je uit door de vergroting van het oculair te vermenigvuldigen met
de vergroting van het objectief.
Elektronenmicroscopen
Lichtmicroscopen kunnen tot 2000x vergroten. Om verder te vergroten is een
elektronenmicroscoop nodig. Elektronenmicroscopen kunnen tot meer dan 100.000x
vergroten. Tegenwoordig zijn elektronenmicroscopen aangesloten op computers. De
computer bewerkt de beelden en toont ze op een beeldscherm, vaak ingekleurd. De
kleuren die je dan ziet zijn niet de echte kleuren. Door de kleuren kunnen structuren
beter zichtbaar worden gemaakt. Er zijn twee typen elektronenmicroscopen. Een
transmissie-elektronenmicroscoop geeft een beeld dat lijkt op dat van een
lichtmicroscoop. Een scanning elektronenmicroscoop geeft een meer
driedimensionaal beeld.
Paragraaf 3 Plantaardige en dierlijke cellen
Bacteriën zijn eencellig en zonder hulpmiddelen door mensen niet te zien. Van een-
en meercellige organismen bevat iedere cel alle informatie en structuren om
zelfstandig te functioneren.
Cellen zijn omgeven door een celmembraan. Het celmembraan scheidt het
inwendige van de cel van zijn omgeving. Via het celmembraan vindt selectieve
opname en afgifte van stoffen plaats. Via stoffen die zich aan het celmembraan
kunnen hechten vindt communicatie tussen cellen plaats.