Samenvatting Sociologie voor de praktijk + oefenvragen
Hoofdstuk 3, 6, 7 en 10
Hoofdstuk 3. Cultuur
Cultuur: Cultuur is de kennis, opvattingen, ervaringen, normen en waarden die een
groepering deelt.
3.2
Cultuur is te omschrijven als het geheel van voorstellingen, opvattingen, kennis, waarden en
normen dat mensen als lid van een samenleving overdragen en verwerven door middel van
leerprocessen.
Enculturatie: Het aanleren van een cultuur > het aanleren van een cultuur kan bij iedereen
anders gaan op basis van ervaringen, context enz.
Acculturatie: Het overnemen van cultuurelementen van andere culturen.
Cultuur is niet statisch. In de loop van de tijd kan cultuur behoorlijk veranderen, denk
bijvoorbeeld aan de tegenwoordige tijd met auto’s, mobiele telefoons, computers, dit
hadden ze vroeger niet. Nieuwe ervaringen moeten oude ervaringen in de cultuur
verdringen.
3.3
Hoge cultuur: Cultuur van de klassieken.
Cultural capital: De beheersing van de culturele competenties die horen bij hoge sociale
posities: weten hoe het hoort, een goede bagage hebben om mee te kunnen doen.
Gezonken cultuurgoederen: Het leven van de elite (nette eetgewoonten, privacy,
beleefdheid) zijn algemeen verklaard. Dus dingen die vroeger anders waren maar nu
‘normaal’ zijn.
Dat we blijkbaar minder beschaafd worden en dat onze normen verschuiven, is te zien als
een gevolg van het feit dat brede lagen in Nederland wennen aan de welvaart. Er is geen
hoge of lage cultuur meer, dus je aan normen houden om je positie te behouden hoort er
tegenwoordig niet meer bij.
Civilisatieproces: Proces waarin de westerse samenleving in de loop der eeuwen meer
verfijnde en gevarieerde gedragsregels ontwikkelde.
Informalisering: Soepeler met regels om kunnen gaan.
,3.4
Een aantal belangrijke punten uit deze paragraaf:
- Cultuur is aangeleerd (nurture) en niet aangeboren (nature).
- Om onderscheid te maken tussen de biologische en de culturele verschillen tussen
mannen en vrouwen worden de begrippen sekse en gender gebruikt.
- Wat op het eerste gezicht wellicht een natuurlijke eigenschap van een
bevolkingsgroep lijkt, is in werkelijkheid vaak een maatschappelijk bepaald verschil
dat voortvloeit uit verschillen in levensomstandigheden en maatschappelijke posities.
Gedrag is iets wat je van je omgeving leert.
- Religie en godsdienst is een zeer krachtig cultuurverschijnsel dat grote impact op de
normen en waarden en het sociale leven van mensen heeft.
3.5
Dat geschiedenis al snel gekoppeld wordt aan een land is omdat er een geschiedenis moet
zijn om in dat land te kunnen samenleven. In de loop der tijd zijn de staat, het onderwijs,
recht, economische- en politieke bindingen door het leven in dat land beïnvloed en daarmee
is de cultuur gevormd.
De belangrijkste veranderingsprocessen van de Nederlandse cultuur in het kader van
modernisering zijn:
Secularisering: Minder invloed van godsdienst.
Individualisering: Grotere vrijheid om los van groepen zelf beslissingen te maken.
Democratisering: Gelijkwaardige verhoudingen.
Emancipatie: (machts)gelijkheid tussen man en vrouw.
6 grondwaarden van de westerse cultuur zijn:
1. Geloof in de toekomst;
2. Gelijkheid;
3. Rede en redelijkheid;
4. Universaliteit;
5. Individualiteit;
6. Rechtvaardigheid.
Deze grondwaarden worden gezien als de garantie voor een open samenleving waar ruimte
is voor wetenschappelijk onderzoek, vrijheid voor meningsuiting, kritiek op machtshebbers
en veelvormigheid in het denken.
6 tegenwaarden uit de premoderne tijd zijn:
1. Eerbied voor het verleden;
2. Hiërarchie;
3. Traditie;
4. Particularisme; (waarden gelden voor de een anders dan voor de ander)
5. Collectiviteit;
6. Privileges.
Nationalisme: Liefde voor wat Nederland ‘echt’ is.
, Buitenstaanders die naar Nederland komen, worden geconfronteerd met verschillen. Wat bij
hun thuis normaal is, verschilt bijvoorbeeld met wat er op de Nederlandse televisie te zien is.
Zolang mensen niet met een andere cultuur worden geconfronteerd zullen ze hun eigen
cultuur als vanzelfsprekend beschouwen.
Etnocentrisme: Onze gewoontes zijn normaal en andere culturen zijn vreemd.
Cultuurrelativisme: Andere culturen als gelijkwaardig beschouwen.
3.6
Identiteit: We vragen dan naar de collectiviteit waarin iemand zich verbonden mee voelt,
waartoe hij zichzelf rekent.
Culturele identiteit: Als er een groepsverbondenheid is gedefinieerd op grond van
gemeenschappelijke normen en waarden en een gemeenschappelijk verleden.
Stereotype: Een sterk veralgemeniseerd, versimpeld beeld van een groep mensen.
Bijvoorbeeld: alle Friezen zijn koppig.
Vooroordeel: Een sterk positief of negatief oordeel dat niet of nauwelijks op feiten berust.
Een waardeoordeel.
Selectieve waarneming: We nemen alleen die dingen waar die we aan eerdere ervaringen
kunnen verbinden.
Racisme: Samenhangend stelsel van negatieve ideeën over een ander ras.
Discriminatie: Handelt op basis van racistische ideeën.
3.7
De cultuur van een samenleving is nooit overal gelijk, tussen groepen zijn er grote verschillen
in waarden, normen en ideeën te zien. Er is in Nederland wel een cultuur die dominant is,
maar daarbinnen zijn er afwijkingen per groep die kunnen variëren per gebied. We spreken
van een subcultuur wanneer op bepaalde punten duidelijk van de dominante cultuur wordt
afgeweken.
Contracultuur: Groep die zich afzet tegen de dominante cultuur.
3.8
Anticiperende socialisatie: Mensen lopen in hun gedrag en houding vooruit op de rol die
behoort bij het toekomstige lidmaatschap van een bepaalde groep. Bijvoorbeeld: een
student geneeskundige gedraagt zich aan het eind van de studie al als een arts.
Referentiekader: Geheel van waarden, normen en overtuigingen op grond waarvan je
oordeelt en handelt. De ‘bril’ waardoor je kijkt.
Hoofdstuk 6. Sociale ongelijkheid (gender)
6.2
Je plaats in de sociale structuur van de samenleving heeft ook grote invloed op andere
aspecten van je leven: je kansen in het onderwijs, op een goed huis, om met vakantie te
kunnen gaan, etc.