HOOFDSTUK 3 NEURALE STURING VAN BEWEGING (BLZ 98 – 117)
Overzicht van het zenuwstelsel
Het zenuwstelstel bestaat uit het perifere en centrale zenuwstelsel. het centrale zenuwstelsel
bestaat uit de hersenen en wervelkolom. Het perifere zenuwstelsel bevat een sensorisch (afferente)
deel en een motorisch (efferente) deel. Het sensorische deel is verantwoordelijk voor informeren
van het centrale zenuwstelsel over wat er binnen en buiten het lichaam gebeurd. Het motorische
deel is verantwoordelijk voor het zenden van informatie vanuit het CZS naar verschillende delen in
het lichaam. Het motorische deel bestaat uit het autonome en somatische zenuwstelsel.
Bouwen functie van het zenuwstelsel
De basiseenheid van het zenuwstel wordt gevormd door neuronen. Een neuron is samengesteld uit
een cellichaam (soma), meerdere dendrieten en 1 axon. Aan de kant van het axon loopt de neuron
taps toe. Dit is de axonheuvel. Deze zorgt voor de impulsgeleiding. Dendrieten zijn de ontvangers
van de neuron. Een axon heeft eindknopjes waar neurotransmitters in zitten. Deze worden gebruikt
voor de communicatie tussen neuronen.
De zenuwimpuls
Een zenuwimpuls is een elektrisch signaal dat overgaat van neuron naar neuron.
Rustmembraanpotentiaal
De celmembraan van een neuron heeft in rust een elektrisch potentiaal van -70mV. de binnenkant is
negatief geladen ten opzichte van de buitenkant. Dit heet het rustmembraanpotentiaal. Het neuron
heeft een hoge lading K+ aan de binnenzijde en een hoge concentratie Na+ aan de buitenkant. Dit
komt omdat 1) de celmembraan meer permeabel is voor K+. 2) de natrium-kaliumpomp houdt het
concentratieverschil in de cel in stand door actief transport van Na+ en K+. Deze pomp verplaatst 3
Na+ voor 2 K+ die de cel binnenkomt. Hierdoor is het verschil -70mV.
, Depolarisatie en hyperpolarisatie
Depolarisatie is het verminderen van het ladingsverschil in de cel. Dit wordt veroorzaakt door een
verandering in de doorlaatbaarheid van Na+. Wanneer het ladingsverschil juist groter wordt heet dit
hyperpolarisatie.
Geleidelijke potentialen
Geleidelijke potentialen zijn lokale veranderingen in de membraanpotentiaal. De membraan bevat
ionenkanalen met ion poorten die openen bij stimulatie. Dit veranderd het ladingsverschil.
Actiepotentialen
Een actiepotentiaal is een snelle en aanzienlijke depolarisatie vaan een neuronmembraan. De
rustpotentiaal veranderd dan naar +30mV en keert daarna snel terug naar de rustpotentiaal. Een
actiepotentiaal komt pas tot stand fjij een stimulatie van min. 15-20 mV. Dit heet de
drempelwaarde.
Wanneer een axon een actiepotentiaal opwekt en de natriumpoorten open gaan, is het niet meer in
staat op andere stimuli te reageren. Dit heet de absolute refractaire periode. Als de natriumpoorten
gesloten zijn, zijn de kaliumpoorten op en vindt er repolarisatie plaats. Wanneer het axon weer kan
reageren op een stimulus heet dit de relatieve refractaire periode.
Voortgeleiding van de actiepotentiaal
Myelineschede
Axonen en de meester motorneuronen zijn gemyeliniseerd. Deze myelineschede wordt gevormd in
het perifere zenuwstelsel door de gespecialiseerde Schwann-cellen. Er zitten openingen tussen de
Schwann-cellen en de myelineschede. Dit heet de insnoering van Ranvier. De actiepotentiaal springt
van insnoering naar insnoering. Dit heet saltoire geleiding. Deze geleiding is 5-150 keer sneller dan
fjij vezels zonder myelineschede.
Diameter van het neuron
De grootte van het neuron bepaald de geleidingssnelheid. Hoe groter, hoe sneller. Doordat er
minder weerstand is tegen lokale elektrische stroom.
De synaps
Bij een synaps vindt de impulsoverdracht van de ene naar het andere neuron plaats. Het neuron dat
de impuls over de synaps heen zendt, heet het presynaptisch neuron. De eindtakjes zijn de
presynaptische eindtakjes. Het neuron wat de impuls ontvangt heet het postsynaptische neuron. De
synapsspleet scheidt de eindtakjes en de receptoren. De synaptische blaasjes bevatten
neurotransmitters. Wanneer de impuls de eindtakjes bereikt, laat de neurotransmitter chemische
stofjes vrij in de synapsspleet. Door middel van diffusie gaan de neurotransmitters naar de
postsynaptische neuron. Wanneer dit neuron zich bindt met de neurotransmitter is de impuls
succesvol overgedragen.
Overzicht van het zenuwstelsel
Het zenuwstelstel bestaat uit het perifere en centrale zenuwstelsel. het centrale zenuwstelsel
bestaat uit de hersenen en wervelkolom. Het perifere zenuwstelsel bevat een sensorisch (afferente)
deel en een motorisch (efferente) deel. Het sensorische deel is verantwoordelijk voor informeren
van het centrale zenuwstelsel over wat er binnen en buiten het lichaam gebeurd. Het motorische
deel is verantwoordelijk voor het zenden van informatie vanuit het CZS naar verschillende delen in
het lichaam. Het motorische deel bestaat uit het autonome en somatische zenuwstelsel.
Bouwen functie van het zenuwstelsel
De basiseenheid van het zenuwstel wordt gevormd door neuronen. Een neuron is samengesteld uit
een cellichaam (soma), meerdere dendrieten en 1 axon. Aan de kant van het axon loopt de neuron
taps toe. Dit is de axonheuvel. Deze zorgt voor de impulsgeleiding. Dendrieten zijn de ontvangers
van de neuron. Een axon heeft eindknopjes waar neurotransmitters in zitten. Deze worden gebruikt
voor de communicatie tussen neuronen.
De zenuwimpuls
Een zenuwimpuls is een elektrisch signaal dat overgaat van neuron naar neuron.
Rustmembraanpotentiaal
De celmembraan van een neuron heeft in rust een elektrisch potentiaal van -70mV. de binnenkant is
negatief geladen ten opzichte van de buitenkant. Dit heet het rustmembraanpotentiaal. Het neuron
heeft een hoge lading K+ aan de binnenzijde en een hoge concentratie Na+ aan de buitenkant. Dit
komt omdat 1) de celmembraan meer permeabel is voor K+. 2) de natrium-kaliumpomp houdt het
concentratieverschil in de cel in stand door actief transport van Na+ en K+. Deze pomp verplaatst 3
Na+ voor 2 K+ die de cel binnenkomt. Hierdoor is het verschil -70mV.
, Depolarisatie en hyperpolarisatie
Depolarisatie is het verminderen van het ladingsverschil in de cel. Dit wordt veroorzaakt door een
verandering in de doorlaatbaarheid van Na+. Wanneer het ladingsverschil juist groter wordt heet dit
hyperpolarisatie.
Geleidelijke potentialen
Geleidelijke potentialen zijn lokale veranderingen in de membraanpotentiaal. De membraan bevat
ionenkanalen met ion poorten die openen bij stimulatie. Dit veranderd het ladingsverschil.
Actiepotentialen
Een actiepotentiaal is een snelle en aanzienlijke depolarisatie vaan een neuronmembraan. De
rustpotentiaal veranderd dan naar +30mV en keert daarna snel terug naar de rustpotentiaal. Een
actiepotentiaal komt pas tot stand fjij een stimulatie van min. 15-20 mV. Dit heet de
drempelwaarde.
Wanneer een axon een actiepotentiaal opwekt en de natriumpoorten open gaan, is het niet meer in
staat op andere stimuli te reageren. Dit heet de absolute refractaire periode. Als de natriumpoorten
gesloten zijn, zijn de kaliumpoorten op en vindt er repolarisatie plaats. Wanneer het axon weer kan
reageren op een stimulus heet dit de relatieve refractaire periode.
Voortgeleiding van de actiepotentiaal
Myelineschede
Axonen en de meester motorneuronen zijn gemyeliniseerd. Deze myelineschede wordt gevormd in
het perifere zenuwstelsel door de gespecialiseerde Schwann-cellen. Er zitten openingen tussen de
Schwann-cellen en de myelineschede. Dit heet de insnoering van Ranvier. De actiepotentiaal springt
van insnoering naar insnoering. Dit heet saltoire geleiding. Deze geleiding is 5-150 keer sneller dan
fjij vezels zonder myelineschede.
Diameter van het neuron
De grootte van het neuron bepaald de geleidingssnelheid. Hoe groter, hoe sneller. Doordat er
minder weerstand is tegen lokale elektrische stroom.
De synaps
Bij een synaps vindt de impulsoverdracht van de ene naar het andere neuron plaats. Het neuron dat
de impuls over de synaps heen zendt, heet het presynaptisch neuron. De eindtakjes zijn de
presynaptische eindtakjes. Het neuron wat de impuls ontvangt heet het postsynaptische neuron. De
synapsspleet scheidt de eindtakjes en de receptoren. De synaptische blaasjes bevatten
neurotransmitters. Wanneer de impuls de eindtakjes bereikt, laat de neurotransmitter chemische
stofjes vrij in de synapsspleet. Door middel van diffusie gaan de neurotransmitters naar de
postsynaptische neuron. Wanneer dit neuron zich bindt met de neurotransmitter is de impuls
succesvol overgedragen.