Voorlopige hechtenis en voorlopige vrijheidsbeperking.
Het einde van de schorsing onder voorwaarden?
Verdiepingsartikel
De schorsing onder voorwaarden heeft volgens de minister een problematisch karakter, omdat het
gebruik van alternatieven voor voorlopige hechtenis in de vorm van schorsingsvoorwaarden pas
mogelijk is nadat een bevel tot voorlopige hechtenis is afgegeven. Wijzend op de beginselen van
proportionaliteit en subsidiariteit en naar rechtspraak van het EHRM in het kader van artikel 5 EVRM,
stelt de minister dat de passende volgorde is dat eerst wordt gekeken of kan worden volstaan met
vrijheidsbeperkende middelen alvorens het bevelen van de voorlopige hechtenis in overweging
wordt genomen. Tegen deze achtergrond wordt voorgesteld een wettelijke basis te creëren voor de
rechter om een bevel tot voorlopige vrijheidsbeperking te kunnen geven en om de schorsing onder
voorwaarden uit de wet te schrappen.
Reacties uit de consultatie
Zowel de RvdR als de NVvR stellen zich op het standpunt dat een terughoudende toepassing van
voorlopige hechtenis ook binnen de bestaande kaders mogelijk is en pleiten ervoor om de schorsing
onder voorwaarden te behouden. De RvdR oppert dat het uitgangspunt ‘schorsen, tenzij’, zoals in
jeugdstrafzaken wordt gehanteerd, ook voor meerderjarigen zou kunnen worden ingevoerd.
Voorstel tot afschaffing van de schorsing: achtergrond en context
Het voorstel tot afschaffing van de figuur van de schorsing onder voorwaarden betreft een breuk met
de systematiek van de wettelijke regeling van de voorlopige hechtenis. Met deze constructie is
beoogd te voorkomen dat verdachten in gevallen waarin geen voorlopige hechtenis zou zijn bevolen
toch worden onderworpen aan allerlei voorwaarden. Deze systematiek moet waarborgen dat de
schorsing onder voorwaarden uitsluitend wordt gebruikt als alternatief voor voorlopige hechtenis en
niet als zelfstandige modaliteit voor interventies in de voorfase van het strafproces. Al decennialang
wordt in de wetenschappelijke literatuur kritiek geuit op de systematiek van de regeling van de
(schorsing van) voorlopige hechtenis. Zo is er door verschillende auteurs op gewezen dat de
voorwaarde dat voor het bevelen van voorlopige hechtenis sprake moet zijn van ‘een gewichtige
reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming vordert’ (art. 67a lid
1 onder b Sv) strikt genomen geen ruimte laat om vervolgens middels een schorsing onder
voorwaarden alsnog over te gaan tot invrijheidstelling van de verdachte. Ook is gesteld dat in deze
constructie het risico besloten ligt dat het bevel tot voorlopige hechtenis enkel wordt afgegeven om
vervolgens de nodig geachte voorwaarden te kunnen opleggen. Verder is geconstateerd dat deze
systematiek het gebruik van alternatieven voor voorlopige hechtenis onvoldoende lijkt te stimuleren,
nu de alternatieven als het ware ‘achter de voorlopige hechtenis verscholen zitten’.
Vertrekpunt van de besluitvorming
Een eerste relevante onderzoeksbevinding is dat de invalshoek die besloten ligt in de huidige
wettelijke systematiek van de schorsing, waarbij eerst het zwaarste, vrijheidsbenemende middel (de
voorlopige hechtenis) moet worden gevorderd en bevolen, alvorens minder ingrijpende middelen (in
de vorm van schorsingsvoorwaarden) kunnen worden toegepast, niet in lijn is met de
mensenrechtelijke uitgangspunten inzake de voorlopige hechtenis. Uit de rechtspraak van het EHRM
volgt dat verdachten, mede gelet op de onschuldpresumptie, hun proces in beginsel in vrijheid
mogen afwachten en dat voorlopige hechtenis alleen mag worden toegepast als kan worden
aangetoond dat dit ‘noodzakelijk’ is. Uit deze uitgangspunten, waarin de eisen van proportionaliteit