HC1 - Inleiding
Psychologische perspectieven
- Biologische psychologie: biologische processen
- Cognitieve psychologie: mentale processen
- Sociale psychologie: bijzijn van anderen
- Ontwikkelingspsychologie: ontwikkelingen van mensen
- Klinische psychologie: ziektes
Wat is psychologie?
- Gedrag
- Mentale processen: gedrag bepaald door mentale processen
- Om iets te weten moet je meten:
- Mentale processen
- Emotie
- Waarneming
Gedrag kunnen we meten
We begrijpen het niet want niks over onderliggend mechanisme (je kunt change-blind zijn
maar in brein gebeurt er iets).
Verschillen in gedrag meten
- Helmholtz: reactietijd op teen langer dan heup
- Interpretatie? Onderliggend mechanisme?
- Donders: reactietijden langer als je (F C Q T) ziet en X of Q moet zoeken dan bij (F T)
Mentale processen interfereren
- Leren; gedrag in een en dezelfde situatie is veranderd na een
ervaring.
- Klassiek conditioneren (Pavlov): schrikken of wegduiken
- Operant of instrumenteel conditioneren (Thorndike): als gedrag vaak genoeg beloond
wordt word het vaker gedaan Bekrachtiging: zorgt dat het gedrag herhaald wordt
Nurture: leren van omgevingsinvloeden
Nature: genetisch bepaaldheid
HC1 - FILM Van Gen naar Gedrag I
Hebben genen invloed op gedrag?
- Bewijzen lastig
- Oorzakelijk verband aantonen, soms zo sterk dat de relatie onverbiddelijk lijkt
Wat zijn genen?
DNA bevat de genen, die bestaan uit letters (ATCG)
Herhaling letters CAG (> 40)→ leidt tot abnormale variant van eiwit huntingtine
Huntington: degeneratieve hersenziekte
,Wat doet een gen?
- Een gen codeert voor een eiwit (protein)
- DNA —> RNA —> Eiwit
Eiwitten: dienen de functie van zenuwcellen: enzym, receptor, boodschapper-stof
Hoe krijg je een gen?
- Chromosomen: waar het DNA met daarin de genen over verdeeld is (23 paren:
allelen)
- Voortplanting: voor elk paar van beide ouders een: nieuwe generatie
Genen op 2 allelen van 1 chromosomenpaar zijn grotendeels identiek
MAO-Aop X chromosoom
2 varianten van gen:
- MAO-A low leidt tot slecht werkend MAO-A enzy: kwetsbaar voor agressie
- MAO-A high leidt tot goed werkend MAO-A enzym: beschermd tegen agressie
HC2-1 - Van gen naar Gedrag II
Geslachtsafhankelijkheid van genen
- 22 paar autosomale chromosomen, van elk gen 2 allelen (varianten)
- 1 paar geslachtschromosomen: XX (2 allelen) of XY (1 allel)
→ X en Y dragen ´sex-linked´ genen
Sex limited genen
- Kunnen op alle chromosomen voorkomen
- Worden alleen afgelezen in 1 van de twee geslachten, onder invloed van
geslachtshormonen → leidt tot verschillen in eigenschappen, bijv gedrag
Kunnen ervaringen de genen veranderen?
- Voor start codon: promotor regio, ervaring verandert chromosoom
- Na start codon: coding regio
- Door ervaring gen wordt niet afgelezen, DNA is er nog wel
→ methylering (verandering) nodig voor leren / geheugen
Epigenetica:
- Methylering: aflezing stopt
- Acetylering: juist meer afgelezen
- Andere mechanismen
Evolutie
- Verandering over generaties van genen (en de eigenschappen waarvoor ze coderen)
in populaties
- Reproductieve isolatie leidt vervolgens tot het ontstaan van verschillende soorten
- Al het leven is evolutionair verwant en alle soorten delen daarom een
gemeenschappelijke voorouder
, - Soorten die recenter gemeenschappelijke voorouder hebben lijken meer op elkar
(genen en eigenschappen)
- Verschillen in gedrag zijn vaak niet te herleiden tot een verschil op 1 enkel gen
Hoe werkt het?
- Spontane mutaties zorgen voor genetische variatie (verschillende allelen)
- Varianten die leiden tot een verminderde voortplanting verdwijnen
- Varianten die leiden tot betere voortplanting worden geselecteerd
- Hierdoor veranderen eigenschappen van individuen in een populatie
Principes evolutie
- Overerfbaarheid van eigenschappen (genen)
- Mutaties: het spontane ontstaan van genvarianten → random
- Natuurlijke selectie van varianten die zorgen voor een individu dat beter aangepast
(adapted) is en daardoor meer nakomelingen krijgt (fitness) → niet random
Consequenties voor menselijk gedrag
- Door evolutionaire verwantschap delen mensen genen, hersenstructuren en gedrag
met andere dieren
- Geschikte modelsystemen voor experimenteel onderzoek aan ´hoe´ vragen
- Niet alleen overeenkomsten tussen soorten zijn interessant, ook verschillen kunnen
info opleveren
Consequenties voor menselijk gedrag?
- Evolutionaire psychologie: beantwoorden van ‘waarom’ vragen over huidig gedrag, in
termen van fitness in evolutionair verleden
HC2-2 - Van zenuwcel naar zien en bewegen
Van het oog naar de hersenen
- Neuron A stuurt een signaal naar neuron B door axon
- Dendrieten zijn kleine de uitlopers
- Neuron heeft een input (dendriet) en output (axon) faciliteit
- Simulated region of cortex: neuronen liggen naast elkaar dus als een niet doet maakt
niet zoveel uit
Rustpotentiaal
- Neuron is een soort buis, met binnenkant en buitenkant gescheiden door membraan]
- Ionen in verschillende concentraties binnen en buiten → potentiaalverschil →
rustpotentiaal (-70 mV)
Depolarisatie
- Membraan bevat kanalen waardoor Na+ naar binnen kan, als ze open zijn
- Open door neurotransmissie
- Hierdoor verandert ladingsverschil dus rustpotentiaal
- Positieve lading naar binnen dus kleiner (richting 0): depolarisatie
, Hoe meet je het?
- Je kunt de rustpotentiaal meten door 2 elektrodes te gebruiken, zo kun je het verschil
tussen binnenkant en buitenkant meten
Hoe meet je het bij mensen?
- Hersenpotentialen
- Electroencephalogram (EEG)
- Fluctuaties in de rustpotentiaal (150000 neuronen, doen allemaal hetzelfde)
Actiepotentiaal
- Hoe zetten we waarneming om in beweging, van alle kanten, dus heel veel tegelijk.
- Als er genoeg depolarisaties plaatsvindt krijg je actiepotentiaal
Motorneuron
- Als voldoende signalen van visuele cortex naar motor dan voldoende depolarisatie in
motor neuron
- Motor neuron produceert zelf actie
- Leidt uiteindelijk tot signaal
- Neuronen die gedrag produceren: van motorcortex naar ruggenmerg naar spier
HC3-1 - Actiepotentiaal
Wat is het?
- Voorbeeld: visueel neuron A stuurt een elektrisch signaal over axon naar motor
neuron B → dit signaal is een actiepotentiaal
- Fundamentele drager van snelle informatieoverdracht tussen zenuwcellen
(neuronen), en dus aan basis van cognitie en gedrag
- Voorversterker → versterker → data acquisitie →computer
Hoe ontstaat hij?
- Depolarisatie door binnengekomen Na+ (depolarisatie, EPSP) in dendriet, verspreidt
zich passief naar axon heuvel (hillock)
- Daar gaan voltage-gevoelige (voltage-gated) Na+-kanalen open (dit zijn andere
kanalen dan op de dendriet) waardoor de actiepotentiaal begint
→ Alleen als depolarisatie een kritische drempel (threshold) bereikt
Twee gradiënten
- Concentratie gradiënt: van hoge naar lage concentratie
- Elektrische gradiënt: aantrekking van tegengestelde lading bij potentiaalverschil
Actiepotentiaal
- Bij rustpotentiaal zijn voltage-gated Na+ en K+ kanalen dicht op het stukje membraan
van de axonheuvel (-70)
- Voltage-gated Na+ kanalen gaan open als depolarisatie kritische drempel (threshold)
overschrijdt bij axon heuvel (ongeveer -50 mV)
- Na+ stroomt de cel in waardoor het negatieve potentiaalverschil over de membraan
afneemt: de depolarisatie wordt dus nog groter
Psychologische perspectieven
- Biologische psychologie: biologische processen
- Cognitieve psychologie: mentale processen
- Sociale psychologie: bijzijn van anderen
- Ontwikkelingspsychologie: ontwikkelingen van mensen
- Klinische psychologie: ziektes
Wat is psychologie?
- Gedrag
- Mentale processen: gedrag bepaald door mentale processen
- Om iets te weten moet je meten:
- Mentale processen
- Emotie
- Waarneming
Gedrag kunnen we meten
We begrijpen het niet want niks over onderliggend mechanisme (je kunt change-blind zijn
maar in brein gebeurt er iets).
Verschillen in gedrag meten
- Helmholtz: reactietijd op teen langer dan heup
- Interpretatie? Onderliggend mechanisme?
- Donders: reactietijden langer als je (F C Q T) ziet en X of Q moet zoeken dan bij (F T)
Mentale processen interfereren
- Leren; gedrag in een en dezelfde situatie is veranderd na een
ervaring.
- Klassiek conditioneren (Pavlov): schrikken of wegduiken
- Operant of instrumenteel conditioneren (Thorndike): als gedrag vaak genoeg beloond
wordt word het vaker gedaan Bekrachtiging: zorgt dat het gedrag herhaald wordt
Nurture: leren van omgevingsinvloeden
Nature: genetisch bepaaldheid
HC1 - FILM Van Gen naar Gedrag I
Hebben genen invloed op gedrag?
- Bewijzen lastig
- Oorzakelijk verband aantonen, soms zo sterk dat de relatie onverbiddelijk lijkt
Wat zijn genen?
DNA bevat de genen, die bestaan uit letters (ATCG)
Herhaling letters CAG (> 40)→ leidt tot abnormale variant van eiwit huntingtine
Huntington: degeneratieve hersenziekte
,Wat doet een gen?
- Een gen codeert voor een eiwit (protein)
- DNA —> RNA —> Eiwit
Eiwitten: dienen de functie van zenuwcellen: enzym, receptor, boodschapper-stof
Hoe krijg je een gen?
- Chromosomen: waar het DNA met daarin de genen over verdeeld is (23 paren:
allelen)
- Voortplanting: voor elk paar van beide ouders een: nieuwe generatie
Genen op 2 allelen van 1 chromosomenpaar zijn grotendeels identiek
MAO-Aop X chromosoom
2 varianten van gen:
- MAO-A low leidt tot slecht werkend MAO-A enzy: kwetsbaar voor agressie
- MAO-A high leidt tot goed werkend MAO-A enzym: beschermd tegen agressie
HC2-1 - Van gen naar Gedrag II
Geslachtsafhankelijkheid van genen
- 22 paar autosomale chromosomen, van elk gen 2 allelen (varianten)
- 1 paar geslachtschromosomen: XX (2 allelen) of XY (1 allel)
→ X en Y dragen ´sex-linked´ genen
Sex limited genen
- Kunnen op alle chromosomen voorkomen
- Worden alleen afgelezen in 1 van de twee geslachten, onder invloed van
geslachtshormonen → leidt tot verschillen in eigenschappen, bijv gedrag
Kunnen ervaringen de genen veranderen?
- Voor start codon: promotor regio, ervaring verandert chromosoom
- Na start codon: coding regio
- Door ervaring gen wordt niet afgelezen, DNA is er nog wel
→ methylering (verandering) nodig voor leren / geheugen
Epigenetica:
- Methylering: aflezing stopt
- Acetylering: juist meer afgelezen
- Andere mechanismen
Evolutie
- Verandering over generaties van genen (en de eigenschappen waarvoor ze coderen)
in populaties
- Reproductieve isolatie leidt vervolgens tot het ontstaan van verschillende soorten
- Al het leven is evolutionair verwant en alle soorten delen daarom een
gemeenschappelijke voorouder
, - Soorten die recenter gemeenschappelijke voorouder hebben lijken meer op elkar
(genen en eigenschappen)
- Verschillen in gedrag zijn vaak niet te herleiden tot een verschil op 1 enkel gen
Hoe werkt het?
- Spontane mutaties zorgen voor genetische variatie (verschillende allelen)
- Varianten die leiden tot een verminderde voortplanting verdwijnen
- Varianten die leiden tot betere voortplanting worden geselecteerd
- Hierdoor veranderen eigenschappen van individuen in een populatie
Principes evolutie
- Overerfbaarheid van eigenschappen (genen)
- Mutaties: het spontane ontstaan van genvarianten → random
- Natuurlijke selectie van varianten die zorgen voor een individu dat beter aangepast
(adapted) is en daardoor meer nakomelingen krijgt (fitness) → niet random
Consequenties voor menselijk gedrag
- Door evolutionaire verwantschap delen mensen genen, hersenstructuren en gedrag
met andere dieren
- Geschikte modelsystemen voor experimenteel onderzoek aan ´hoe´ vragen
- Niet alleen overeenkomsten tussen soorten zijn interessant, ook verschillen kunnen
info opleveren
Consequenties voor menselijk gedrag?
- Evolutionaire psychologie: beantwoorden van ‘waarom’ vragen over huidig gedrag, in
termen van fitness in evolutionair verleden
HC2-2 - Van zenuwcel naar zien en bewegen
Van het oog naar de hersenen
- Neuron A stuurt een signaal naar neuron B door axon
- Dendrieten zijn kleine de uitlopers
- Neuron heeft een input (dendriet) en output (axon) faciliteit
- Simulated region of cortex: neuronen liggen naast elkaar dus als een niet doet maakt
niet zoveel uit
Rustpotentiaal
- Neuron is een soort buis, met binnenkant en buitenkant gescheiden door membraan]
- Ionen in verschillende concentraties binnen en buiten → potentiaalverschil →
rustpotentiaal (-70 mV)
Depolarisatie
- Membraan bevat kanalen waardoor Na+ naar binnen kan, als ze open zijn
- Open door neurotransmissie
- Hierdoor verandert ladingsverschil dus rustpotentiaal
- Positieve lading naar binnen dus kleiner (richting 0): depolarisatie
, Hoe meet je het?
- Je kunt de rustpotentiaal meten door 2 elektrodes te gebruiken, zo kun je het verschil
tussen binnenkant en buitenkant meten
Hoe meet je het bij mensen?
- Hersenpotentialen
- Electroencephalogram (EEG)
- Fluctuaties in de rustpotentiaal (150000 neuronen, doen allemaal hetzelfde)
Actiepotentiaal
- Hoe zetten we waarneming om in beweging, van alle kanten, dus heel veel tegelijk.
- Als er genoeg depolarisaties plaatsvindt krijg je actiepotentiaal
Motorneuron
- Als voldoende signalen van visuele cortex naar motor dan voldoende depolarisatie in
motor neuron
- Motor neuron produceert zelf actie
- Leidt uiteindelijk tot signaal
- Neuronen die gedrag produceren: van motorcortex naar ruggenmerg naar spier
HC3-1 - Actiepotentiaal
Wat is het?
- Voorbeeld: visueel neuron A stuurt een elektrisch signaal over axon naar motor
neuron B → dit signaal is een actiepotentiaal
- Fundamentele drager van snelle informatieoverdracht tussen zenuwcellen
(neuronen), en dus aan basis van cognitie en gedrag
- Voorversterker → versterker → data acquisitie →computer
Hoe ontstaat hij?
- Depolarisatie door binnengekomen Na+ (depolarisatie, EPSP) in dendriet, verspreidt
zich passief naar axon heuvel (hillock)
- Daar gaan voltage-gevoelige (voltage-gated) Na+-kanalen open (dit zijn andere
kanalen dan op de dendriet) waardoor de actiepotentiaal begint
→ Alleen als depolarisatie een kritische drempel (threshold) bereikt
Twee gradiënten
- Concentratie gradiënt: van hoge naar lage concentratie
- Elektrische gradiënt: aantrekking van tegengestelde lading bij potentiaalverschil
Actiepotentiaal
- Bij rustpotentiaal zijn voltage-gated Na+ en K+ kanalen dicht op het stukje membraan
van de axonheuvel (-70)
- Voltage-gated Na+ kanalen gaan open als depolarisatie kritische drempel (threshold)
overschrijdt bij axon heuvel (ongeveer -50 mV)
- Na+ stroomt de cel in waardoor het negatieve potentiaalverschil over de membraan
afneemt: de depolarisatie wordt dus nog groter