Hoofdstuk 1 – De prenatale fase
Begrippen
Nurture – gedrag is aangeleerd door de omgeving
Nature – gedrag wordt bepaald door aanleg
Groei – toename van cellen, lengte en gewicht
Rijping – autonoom proces waarin een mens in staat is om steeds meer functies te vervullen
Leren – via interactie met de omgeving, ontwikkelen van kennis, inzicht en vaardigheden
Pruning – verbindingen die minder worden gebruikt worden vervangen
Teratogenen – factoren/middelen van buitenaf die een schadelijke invloed hebben op de prenatale
ontwikkeling
Ontogenese – de interactie met de omgeving speelt een belangrijke rol
Fylogenese – de ontwikkeling van de soort, erfelijkheid speelt een belangrijke rol
Verklaringsmodellen psychologische stromingen
Biologische visie – mens wordt bepaald door erfelijke of interne factoren
Behaviouristische visie – de mens wordt voor de geboorte al geconditioneerd door zijn prenatale
ervaringen.
Omgevingspsychologische visie – mens wordt bepaald door de interactie met de fysieke omgeving
Cognitivistische visie – informatieverwerking en zelfsturing, geheugen staat centraal
Psychoanalytische visie – mens wordt bepaald door aanleg en opvoedervaringen
Humanistische visie – de autonome mens staat centraal, het draait om beleving, zelfontplooiing en
ontwikkeling
Oorzaken verklaringsmodellen
Omgevingspsychologische visie – wisselwerking ruimte, oplossing; veranderen van omgeving
Psychoanalytische visie – sprake van een vorm van besef, oplossing; probleem ligt in het onbewuste,
maak het bewust
Humanistische visie – individuele beleving, oplossing; zoek talenten
Drie factoren van de prenatale ontwikkeling: groei, rijping, leren
Drie trimesters van de prenatale fase
1. Het eerste trimester
- celdeling van de zygote
- embryonale fase, organen beginnen te ontstaan
- vorming van de hersenen
2. Het tweede trimester
- de foetus gaat bewegingen maken
- ontstaan zenuwverbindingen tussen de hersendelen
- alle hersencellen zijn aangemaakt
3. Het derde trimester
- voltooien van de groei
Diverse teratogenen
- alcohol- en drugsgebruik, medicijngebruik, ondervoeding, ongelukken, infecties, stress.
, Hoofdstuk 2 – De geboorte en de eerste zes maanden
2.3 De ontwikkeling van het leren
Patronen in sensomotorische ervaringen
Oriëntatieregel: aandacht richting opvallende gebeurtenis in plaats van verstoppen
Onderzoeksregel: zicht of tast, onderzoeken met handen of ogen
Regel van het scannen: baby zoekt/scant voorwerp
Preferentieregel: voorkeur voor interessantere voorwerpen
Habituatieregel: bekend voorwerp is al snel saai, nieuw is leuk
Omkeringsregel: wat de baby ziet kan het voelen en andersom
Piaget, primaire circulaire reacties: toevallige handeling met leuk gevolg? Vaker doen!
Bühler, Funktionslust: eindeloos en onvermoeid een functie herhalen.
2.6 De hechting
Hechting = het leggen van een basis voor het kunnen aangaan van andere hechte relaties later in het
leven.
Bowlby: Een kind is gehecht als het geneigd is om in angstige situaties de nabijheid en contact met
een specifieke opvoeder te zoeken.
Tieleman: Je spreekt van hechting als er sprake is van een gevoelsmatige relatie tussen kind en een of
meer specifieke personen met wie het kind regelmatig omgaat.
De ingrediënten van veiligheid:
- Inlevingsvermogen
- Continuïteit
- Kwaliteit versus kwantiteit
- Fysiek contact
Veilige gehechte kinderen:
Zelfvertrouwen
Veerkracht
Cognitieve ontwikkeling
Verbanden leggen tussen eigen gedrag en het effect daarvan
Beter in staat om relaties te onderhouden
Onveilige gehechte kinderen:
Angst en depressie
Verslaving
Gedragsproblemen
Minder sociale vaardigheden
Drie typen gehechtheid
1. Veilige gehechtheid
- balans, ouder reageert responsief sensitief
2. Onveilige gehechtheid
- vermijdend, voelen zich alleen, ouders zijn consequent insensitief
3. Gedesorganiseerde gehechtheid
- vaak wanneer problematiek aanwezig is, ouders zijn angstaanjagend
Reactieve hechtingsstoornis
- Zoekt geen emotioneel contact
- Frozen watchfulness – altijd op de hoede voor een dreigend gevaar
- Aantrekken en afstoten
Ontremd sociaal contact stoornis
- Hecht zich enkel oppervlakkering aan anderen
- Maakt weinig tot geen onderscheid tussen bekenden en vreemden
Begrippen
Nurture – gedrag is aangeleerd door de omgeving
Nature – gedrag wordt bepaald door aanleg
Groei – toename van cellen, lengte en gewicht
Rijping – autonoom proces waarin een mens in staat is om steeds meer functies te vervullen
Leren – via interactie met de omgeving, ontwikkelen van kennis, inzicht en vaardigheden
Pruning – verbindingen die minder worden gebruikt worden vervangen
Teratogenen – factoren/middelen van buitenaf die een schadelijke invloed hebben op de prenatale
ontwikkeling
Ontogenese – de interactie met de omgeving speelt een belangrijke rol
Fylogenese – de ontwikkeling van de soort, erfelijkheid speelt een belangrijke rol
Verklaringsmodellen psychologische stromingen
Biologische visie – mens wordt bepaald door erfelijke of interne factoren
Behaviouristische visie – de mens wordt voor de geboorte al geconditioneerd door zijn prenatale
ervaringen.
Omgevingspsychologische visie – mens wordt bepaald door de interactie met de fysieke omgeving
Cognitivistische visie – informatieverwerking en zelfsturing, geheugen staat centraal
Psychoanalytische visie – mens wordt bepaald door aanleg en opvoedervaringen
Humanistische visie – de autonome mens staat centraal, het draait om beleving, zelfontplooiing en
ontwikkeling
Oorzaken verklaringsmodellen
Omgevingspsychologische visie – wisselwerking ruimte, oplossing; veranderen van omgeving
Psychoanalytische visie – sprake van een vorm van besef, oplossing; probleem ligt in het onbewuste,
maak het bewust
Humanistische visie – individuele beleving, oplossing; zoek talenten
Drie factoren van de prenatale ontwikkeling: groei, rijping, leren
Drie trimesters van de prenatale fase
1. Het eerste trimester
- celdeling van de zygote
- embryonale fase, organen beginnen te ontstaan
- vorming van de hersenen
2. Het tweede trimester
- de foetus gaat bewegingen maken
- ontstaan zenuwverbindingen tussen de hersendelen
- alle hersencellen zijn aangemaakt
3. Het derde trimester
- voltooien van de groei
Diverse teratogenen
- alcohol- en drugsgebruik, medicijngebruik, ondervoeding, ongelukken, infecties, stress.
, Hoofdstuk 2 – De geboorte en de eerste zes maanden
2.3 De ontwikkeling van het leren
Patronen in sensomotorische ervaringen
Oriëntatieregel: aandacht richting opvallende gebeurtenis in plaats van verstoppen
Onderzoeksregel: zicht of tast, onderzoeken met handen of ogen
Regel van het scannen: baby zoekt/scant voorwerp
Preferentieregel: voorkeur voor interessantere voorwerpen
Habituatieregel: bekend voorwerp is al snel saai, nieuw is leuk
Omkeringsregel: wat de baby ziet kan het voelen en andersom
Piaget, primaire circulaire reacties: toevallige handeling met leuk gevolg? Vaker doen!
Bühler, Funktionslust: eindeloos en onvermoeid een functie herhalen.
2.6 De hechting
Hechting = het leggen van een basis voor het kunnen aangaan van andere hechte relaties later in het
leven.
Bowlby: Een kind is gehecht als het geneigd is om in angstige situaties de nabijheid en contact met
een specifieke opvoeder te zoeken.
Tieleman: Je spreekt van hechting als er sprake is van een gevoelsmatige relatie tussen kind en een of
meer specifieke personen met wie het kind regelmatig omgaat.
De ingrediënten van veiligheid:
- Inlevingsvermogen
- Continuïteit
- Kwaliteit versus kwantiteit
- Fysiek contact
Veilige gehechte kinderen:
Zelfvertrouwen
Veerkracht
Cognitieve ontwikkeling
Verbanden leggen tussen eigen gedrag en het effect daarvan
Beter in staat om relaties te onderhouden
Onveilige gehechte kinderen:
Angst en depressie
Verslaving
Gedragsproblemen
Minder sociale vaardigheden
Drie typen gehechtheid
1. Veilige gehechtheid
- balans, ouder reageert responsief sensitief
2. Onveilige gehechtheid
- vermijdend, voelen zich alleen, ouders zijn consequent insensitief
3. Gedesorganiseerde gehechtheid
- vaak wanneer problematiek aanwezig is, ouders zijn angstaanjagend
Reactieve hechtingsstoornis
- Zoekt geen emotioneel contact
- Frozen watchfulness – altijd op de hoede voor een dreigend gevaar
- Aantrekken en afstoten
Ontremd sociaal contact stoornis
- Hecht zich enkel oppervlakkering aan anderen
- Maakt weinig tot geen onderscheid tussen bekenden en vreemden