Pulsar Natuurkunde 3e editie vwo4 Samenvattingen
Hoofdstuk 1
Paragraaf 1.1
Snelheid
• Snelheid geeft aan hoeveel meter in een seconde wordt afgelegd
• De eenheid van snelheid is meter per seconde (m/s)
• Snelheid meet je door afstand en tijd te meten
• Met een verhoudingstabel kun je uitrekenen welke afstand in één seconde wordt afgelegd
Voorbeeld verhoudingstabel:
1500 m 6m 21 600 m 21,6 km
250 s 1s 3600 s 1 uur
Bewegingen vastleggen
• Met een stroboscoop en een camera kun je een beweging bestuderen
o Het aantal flitsen per seconde heet de frequentie in Hertz (Hz)
• Met een computer en een plaatssensor kun je een beweging weergeven in een plaatsgrafiek en
snelheidsgrafiek
• Bij een beweging in omgekeerde richting is de snelheid negatief
Paragraaf 1.2
De plaatsgrafiek
• In een plaatsgrafiek zet je de plaats (x) van een voorwerp uit tegen de tijd (t)
• Uit een plaatsgrafiek kun ook de snelheid (v) bepalen
o Rechte lijn = constante snelheid
o Stijgende lijn = grotere snelheid
o Dalende lijn = negatieve snelheid, het voorwerp gaat terug
• Bij een rechte lijn is de snelheid gelijk aan het hellingsgetal: vgem = ∆x / ∆t
• Als je bij een versnelde kromme beweging de snelheid op een tijdstip wilt bepalen,
dan moet je op dat tijdstip een raaklijn tekenen.
o De snelheid is dan gelijk aan het hellingsgetal van de raaklijn
• De snelheid is de afgeleide van de plaats naar de tijd. In de wiskunde noteer je dat als:
o v(t)= dx / dy = helling / raaklijn
Paragraaf 1.3
De snelheidsgrafiek
• Een snelheidsgrafiek geeft de snelheid (v)als functie van de tijd weer
• Uit de snelheidsgrafiek kun je de snelheid bepalen, maar ook de versnelling en de afstand
o Rechte lijn = constante versnelling
o Stijgende lijn = grotere versnelling
o Dalende lijn = negatieve versnelling, vertraging
• Bij een rechte lijn is de versnelling gelijk aan het hellingsgetal: agem = ∆v / ∆t
• Als de versnelling niet constant is, bepaal je de snelheid door een raaklijn te tekenen
o Het gellingsgetal van de raaklijn is dan gelijk aan de versnelling op dat tijdstip
• De versnelling is de afgeleide van de snelheid naar de tijd. In de wiskunde noteer je dat als:
o a = dv / dt
• De afstand bepaal je uit de oppervlakte onder de snelheidsgrafiek
o Bij een kromme grafiek kun je het aantal hokjes tellen onder de grafiek en dit
aantal vermenigvuldigen met de afstand die één hokje voorstelt
, Paragraaf 1.4
Enkele voorbeelden van plaatsgrafieken met bijbehorende snelheidsgrafieken:
Vertraagd Versneld Constant
Luchtweerstand:
• De luchtweerstand wordt steeds groter naarmate de snelheid toeneemt
• Door de toename van de luchtweerstand neemt de versnelling af
• Op een zeker moment is de versnelling nul en blijft de snelheid constant
Hoofdstuk 1
Paragraaf 1.1
Snelheid
• Snelheid geeft aan hoeveel meter in een seconde wordt afgelegd
• De eenheid van snelheid is meter per seconde (m/s)
• Snelheid meet je door afstand en tijd te meten
• Met een verhoudingstabel kun je uitrekenen welke afstand in één seconde wordt afgelegd
Voorbeeld verhoudingstabel:
1500 m 6m 21 600 m 21,6 km
250 s 1s 3600 s 1 uur
Bewegingen vastleggen
• Met een stroboscoop en een camera kun je een beweging bestuderen
o Het aantal flitsen per seconde heet de frequentie in Hertz (Hz)
• Met een computer en een plaatssensor kun je een beweging weergeven in een plaatsgrafiek en
snelheidsgrafiek
• Bij een beweging in omgekeerde richting is de snelheid negatief
Paragraaf 1.2
De plaatsgrafiek
• In een plaatsgrafiek zet je de plaats (x) van een voorwerp uit tegen de tijd (t)
• Uit een plaatsgrafiek kun ook de snelheid (v) bepalen
o Rechte lijn = constante snelheid
o Stijgende lijn = grotere snelheid
o Dalende lijn = negatieve snelheid, het voorwerp gaat terug
• Bij een rechte lijn is de snelheid gelijk aan het hellingsgetal: vgem = ∆x / ∆t
• Als je bij een versnelde kromme beweging de snelheid op een tijdstip wilt bepalen,
dan moet je op dat tijdstip een raaklijn tekenen.
o De snelheid is dan gelijk aan het hellingsgetal van de raaklijn
• De snelheid is de afgeleide van de plaats naar de tijd. In de wiskunde noteer je dat als:
o v(t)= dx / dy = helling / raaklijn
Paragraaf 1.3
De snelheidsgrafiek
• Een snelheidsgrafiek geeft de snelheid (v)als functie van de tijd weer
• Uit de snelheidsgrafiek kun je de snelheid bepalen, maar ook de versnelling en de afstand
o Rechte lijn = constante versnelling
o Stijgende lijn = grotere versnelling
o Dalende lijn = negatieve versnelling, vertraging
• Bij een rechte lijn is de versnelling gelijk aan het hellingsgetal: agem = ∆v / ∆t
• Als de versnelling niet constant is, bepaal je de snelheid door een raaklijn te tekenen
o Het gellingsgetal van de raaklijn is dan gelijk aan de versnelling op dat tijdstip
• De versnelling is de afgeleide van de snelheid naar de tijd. In de wiskunde noteer je dat als:
o a = dv / dt
• De afstand bepaal je uit de oppervlakte onder de snelheidsgrafiek
o Bij een kromme grafiek kun je het aantal hokjes tellen onder de grafiek en dit
aantal vermenigvuldigen met de afstand die één hokje voorstelt
, Paragraaf 1.4
Enkele voorbeelden van plaatsgrafieken met bijbehorende snelheidsgrafieken:
Vertraagd Versneld Constant
Luchtweerstand:
• De luchtweerstand wordt steeds groter naarmate de snelheid toeneemt
• Door de toename van de luchtweerstand neemt de versnelling af
• Op een zeker moment is de versnelling nul en blijft de snelheid constant