Inhoudsopgave
1: Toonhoogte........................................................................... 2
2: Toonduur..............................................................................4
3: Ritme.................................................................................... 5
4: Maat..................................................................................... 6
5: Toonladder............................................................................ 8
6: Toonsoort............................................................................ 12
7: Interval............................................................................... 14
8: Akkoorden........................................................................... 15
9: Melodie...............................................................................17
10: Compositietechniek............................................................19
11: Vorm................................................................................. 20
12: Tempo............................................................................... 22
13: Dynamiek.........................................................................23
14: Uitvoeringspraktijk............................................................24
15: Ensembles.........................................................................26
, 1: Toonhoogte
Een noot is wat je ziet, een toon is wat je hoort. Een noot kan je twee dingen
vertellen: 1 hoe lang die noot duurt
2 hoe hoog die noot is
De noten heten a, b, c, d, e, f, en g. Deze zeven noten heten de stamtonen en het
zijn de witte toetsen van de piano.
Noten worden op een notenbalk geschreven: vijf horizontale lijnen. Als een
noot niet in de lijnen past, gebruik je hulplijntjes.
1.2 sleutels
Een sleutel is een teken op de notenbalk die aangeeft waar een bepaalde noot op
die notenbalk zit. Er zijn drie meest-voorkomende sleutels:
G-sleutel Geeft de noot g boven
de centrale c aan.
Andere naam:
vioolsleutel
Gebruikt voor de
zangstemmen sopraan
en alt + hoger
klinkende
instrumenten als viool
of rechterhand piano.
F-sleutel Geeft de noot f onder
F de centrale c aan.
Andere naam:
bassleutel
Wordt gebruikt voor de
zangstem bas + lager
klinkende
instrumenten als
basgitaar, cello, en
linkerhand piano.
C-sleutel Geeft de noot c aan
C Andere naam:
altsleutel.
Wordt gebruikt voor
niet speciale hoge of
lage instrumenten
zoals de altviool.
, 1.3 voortekens
Naast de zeven stamtonen heb je ook vijf overige tonen, die zijn afgeleid van de
stamtonen. Voor het schrijven van deze noten heb je voortekens nodig.
Kruis Verhoogt een noot.
Naam:
Stamtoon + is =
ais/bis/cis/dis/eis/fis/gis
Mol Verlaagt een noot
Naam:
Stamtoon + mol =
As/bes/ces/des/es/fes/ges
Herstellingsteken Maakt een mol of kruis
ongedaan
Deze voortekens worden op twee manieren gebruikt:
1. Een toevallig voorteken verandert de noot waar hij voor staat maar geldt
steeds voor één maat.
2. Wanneer een voorteken bij de sleutel staat geld dat vaste voorteken (een
kruis of een mol) voor de hele compositie. Vaste voortekens staan altijd in een
vaste volgorde: een kruis is altijd de fis, twee mollen zijn altijd de bes en de es.
Als je een noot verhoogt met een kruis, speel je de zwarte toets rechts van de witte.
Als je een noot verlaagt met een mol, speel je de zwarte toets links van de witte.
Zwarte toetsen hebben dus twee namen: bijvoorbeeld een cis en een des.
Er is ook zoiets als een toonafstand. Tussen alle tonen (tussen zwart en wit dus) zit
½ afstand. Tussen c en d zit daarom dus een afstand van 1. Dit is zo bij alle noten,
behalve tussen e en f: daar zit geen zwarte toon tussen en de afstand is daar dan
ook ½.