Inleiding staatsrecht (week 2 t/m 3)
Privaatrecht regelt het recht tussen burgers onderling:
Bestaat uit:
- Personen- en familierecht (BW1);
- Ondernemingsrecht (BW3,5,6 & een aantal losse wetten);
- Vermogensrecht (BW2 & een aantal losse wetten).
Publiekrecht regelt het recht tussen de burgers en overheid:
Bestaat uit:
- Staatsrecht (WvSr, WvSv & een aantal losse wetten);
- Strafrecht (GW & organieke wetten);
- Bestuursrecht (AwBr & een aantal losse wetten).
Organieke wetten zijn wetten in formele zin die in opdracht van de grondwet (GW) tot stand komen.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Functies van het recht:
- Normatieve functie → wat we zo verwerpelijk vinden, dat het strafbaar gesteld wordt. Wat we echt
niet vinden kunnen zoals mishandeling, moord, discriminatie, enz.
- Geschil oplossende functie → Als je er niet uitkomt of je wel/niet gelijk hebt. Met deze regels kan
iemand dan een knoop doorhakken.
- Instrumentele functie → Praktisch dat het geregeld is.
- Additionele functie (aanvullende functie) → Iets wat niet is afgesproken of is opgeschreven. Als je
iets bijvoorbeeld bent vergeten. Bijvoorbeeld de verwachtingen die je hebt als koper. Regels in de wet
die deze gaten invullen.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
,Type rechtsbronnen:
- Verdragen
- Wetten
- Jurisprudenties (rechterlijke uitspraken)
Dit zijn rechterlijke uitspraken waarin bestaande rechtsregels worden verduidelijkt en toepast in
een concreet geval.
- Gewoonte
Voorwaarden: (1) gebaseerd op een bepaald gebruik, dat een zekere tijd voortduurt en (2)
waarvan men vindt dat het juridisch gezien zo hoort (het wordt geacht van rechtsplicht te zijn).
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Materieel recht:
Het draait om de inhoud van de regel. Wat mag iemand wel of niet doen? De geboden en de
verboden dus. Het heeft betrekking op de inhoudelijke rechten en verplichtingen.
Formeel recht: (procesrecht)
Een regel die gemaakt is om het materiële recht te effectueren. Het geeft aan langs welke
stappen je het materiële recht kan realiseren. Kortom: hoe het proces werkt. Het gaat
bijvoorbeeld over bepaalde bepalingen, zoals verjaringen, e.d. Zie bijvoorbeeld Art.2 WvSV.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Dwingend recht:
Regels waar belanghebbende niet van mogen afwijken. Betrekking hebbende op openbare orde
en goede reden. Bijvoorbeeld de verplichte bedenktermijn bij aankopen. Het is te herkennen
aan temen als: “moeten”, “zal”, “nietig”, “kan niet van worden afgeweken”, enz. Zie
bijvoorbeeld Art.1:31 BW.
Aanvullend recht: (regelend recht)
Ook wel regelend recht geldt wanneer partijen zelf niet zijn overeengekomen. Bijvoorbeeld een
burenruzie. Vooral privaatrecht. Ofwel: regels die gelden als niets anders is geregeld.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Objectief recht:
Is het geldende, positieve recht. Of: het geheel van regels die uit de rechtsbronnen voortvloeien.
Het geldt voor iedereen in de samenleving.
Subjectief recht:
Geldt maar voor een bepaald aantal mensen. Bijvoorbeeld een casus waarin je over een
, schadevergoeding moet betalen. Je hebt een subjectieve plicht om een verplichte
schadevergoeding te betalen. De wederpartij heeft het subjectieve recht om het te ontvangen.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Wet in formele zin:
Een wet die tot stand is gekomen door regering en Staten-Generaal gezamenlijk, de nationale
wetgever dus.
Wet in materiële zin:
Alle andere besluiten van de bevoegde organen. Bijvoorbeeld de regering, ministers, provincies
en de gemeente.
Iedere regeling van een wetgever die geschreven is voor een onbepaald aantal en dus niet bij
naam genoemde personen. Als de Provinciale Staten of gemeenteraad besluiten nemen die alle
inwoners van de betreffende provincie/gemeente betrekken, zijn ze in materiële zin.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Kenmerken van een staat:
- grondgebied (met zee, en lucht tot de dampkring ongeveer);
- Gemeenschap;
- Gezag/Soevereiniteit (incl. macht en een geweldsmonopolie).
Kenmerken van een rechtsstaat:
- legaliteitsbeginsel → alles wat de overheid doet, moet gebaseerd zijn op een wet. Dit zorgt
voor gelijkheid door en voor de wet;
- trias politica → verdeling van de rechterlijke, uitvoerende en wetgevende macht;
- onafhankelijke rechterlijke macht
- Grondrechten (deze waarborgen een staatsvrije sfeer).
Essentiele beginselen zijn (a) rechtvaardigheid, (b) redelijkheid, (c) proportionaliteit, (d)
rechtszekerheid en rechtsgelijkheid.
Ook een gezonde rechtsstatelijke cultuur is van groot belang.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De grondwet waarborgt de grondrechten en de democratische rechtsstaat. De grondwet wordt
tegenwoordig ook begonnen met algemene bepalingen.
Privaatrecht regelt het recht tussen burgers onderling:
Bestaat uit:
- Personen- en familierecht (BW1);
- Ondernemingsrecht (BW3,5,6 & een aantal losse wetten);
- Vermogensrecht (BW2 & een aantal losse wetten).
Publiekrecht regelt het recht tussen de burgers en overheid:
Bestaat uit:
- Staatsrecht (WvSr, WvSv & een aantal losse wetten);
- Strafrecht (GW & organieke wetten);
- Bestuursrecht (AwBr & een aantal losse wetten).
Organieke wetten zijn wetten in formele zin die in opdracht van de grondwet (GW) tot stand komen.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Functies van het recht:
- Normatieve functie → wat we zo verwerpelijk vinden, dat het strafbaar gesteld wordt. Wat we echt
niet vinden kunnen zoals mishandeling, moord, discriminatie, enz.
- Geschil oplossende functie → Als je er niet uitkomt of je wel/niet gelijk hebt. Met deze regels kan
iemand dan een knoop doorhakken.
- Instrumentele functie → Praktisch dat het geregeld is.
- Additionele functie (aanvullende functie) → Iets wat niet is afgesproken of is opgeschreven. Als je
iets bijvoorbeeld bent vergeten. Bijvoorbeeld de verwachtingen die je hebt als koper. Regels in de wet
die deze gaten invullen.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
,Type rechtsbronnen:
- Verdragen
- Wetten
- Jurisprudenties (rechterlijke uitspraken)
Dit zijn rechterlijke uitspraken waarin bestaande rechtsregels worden verduidelijkt en toepast in
een concreet geval.
- Gewoonte
Voorwaarden: (1) gebaseerd op een bepaald gebruik, dat een zekere tijd voortduurt en (2)
waarvan men vindt dat het juridisch gezien zo hoort (het wordt geacht van rechtsplicht te zijn).
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Materieel recht:
Het draait om de inhoud van de regel. Wat mag iemand wel of niet doen? De geboden en de
verboden dus. Het heeft betrekking op de inhoudelijke rechten en verplichtingen.
Formeel recht: (procesrecht)
Een regel die gemaakt is om het materiële recht te effectueren. Het geeft aan langs welke
stappen je het materiële recht kan realiseren. Kortom: hoe het proces werkt. Het gaat
bijvoorbeeld over bepaalde bepalingen, zoals verjaringen, e.d. Zie bijvoorbeeld Art.2 WvSV.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Dwingend recht:
Regels waar belanghebbende niet van mogen afwijken. Betrekking hebbende op openbare orde
en goede reden. Bijvoorbeeld de verplichte bedenktermijn bij aankopen. Het is te herkennen
aan temen als: “moeten”, “zal”, “nietig”, “kan niet van worden afgeweken”, enz. Zie
bijvoorbeeld Art.1:31 BW.
Aanvullend recht: (regelend recht)
Ook wel regelend recht geldt wanneer partijen zelf niet zijn overeengekomen. Bijvoorbeeld een
burenruzie. Vooral privaatrecht. Ofwel: regels die gelden als niets anders is geregeld.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Objectief recht:
Is het geldende, positieve recht. Of: het geheel van regels die uit de rechtsbronnen voortvloeien.
Het geldt voor iedereen in de samenleving.
Subjectief recht:
Geldt maar voor een bepaald aantal mensen. Bijvoorbeeld een casus waarin je over een
, schadevergoeding moet betalen. Je hebt een subjectieve plicht om een verplichte
schadevergoeding te betalen. De wederpartij heeft het subjectieve recht om het te ontvangen.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Wet in formele zin:
Een wet die tot stand is gekomen door regering en Staten-Generaal gezamenlijk, de nationale
wetgever dus.
Wet in materiële zin:
Alle andere besluiten van de bevoegde organen. Bijvoorbeeld de regering, ministers, provincies
en de gemeente.
Iedere regeling van een wetgever die geschreven is voor een onbepaald aantal en dus niet bij
naam genoemde personen. Als de Provinciale Staten of gemeenteraad besluiten nemen die alle
inwoners van de betreffende provincie/gemeente betrekken, zijn ze in materiële zin.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Kenmerken van een staat:
- grondgebied (met zee, en lucht tot de dampkring ongeveer);
- Gemeenschap;
- Gezag/Soevereiniteit (incl. macht en een geweldsmonopolie).
Kenmerken van een rechtsstaat:
- legaliteitsbeginsel → alles wat de overheid doet, moet gebaseerd zijn op een wet. Dit zorgt
voor gelijkheid door en voor de wet;
- trias politica → verdeling van de rechterlijke, uitvoerende en wetgevende macht;
- onafhankelijke rechterlijke macht
- Grondrechten (deze waarborgen een staatsvrije sfeer).
Essentiele beginselen zijn (a) rechtvaardigheid, (b) redelijkheid, (c) proportionaliteit, (d)
rechtszekerheid en rechtsgelijkheid.
Ook een gezonde rechtsstatelijke cultuur is van groot belang.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De grondwet waarborgt de grondrechten en de democratische rechtsstaat. De grondwet wordt
tegenwoordig ook begonnen met algemene bepalingen.