Voorkennis: (1 pagina)
Atoombouw
Een atoom is opgebouwd uit een kern met protonen en neutronen, en elektronen in de
elektronenwolk. Het atoomnummer geeft het aantal protonen aan. Het massagetal is de som van
het aantal protonen plus neutronen. Omdat een atoom ongeladen is, heeft elk atoom evenveel
protonen als elektronen.
De elektronen bewegen in schillen om de kern. In de K-schil kunnen maximaal 2 elektronen, in de L-
schil 8, in de M-schil 18 en in de N-schil 32
Stoffen en bindingen
De niet-ontleedbare stoffen, de elementen, zijn te verdelen in metalen en niet-metalen. In het
periodiek systeem zie je rechts bovenaan de niet-metalen; de metalen staan altijd links. Er is één
uitzondering: waterstof is een niet-metaal. In groep 17 staan de halogenen en in groep 18 de
edelgassen.
Moleculaire stoffen bestaan uit moleculen die zijn opgebouwd uit niet-metaalatomen. Moleculaire
stoffen geleiden nooit stroom. De zwakke vanderwaalsbinding is de binding tussen moleculen
onderling.
In een molecuul worden de atomen bijeengehouden door sterke atoombindingen. Eén of meer
gemeenschappelijke elektronenparen houden twee atomen bij elkaar. De covalentie geeft aan
hoeveel atoombindingen een atoom kan vormen. De covalentie van een atoomsoort is af te leiden
uit de plaats van de atoomsoort in het periodiek systeem.
Metalen zijn niet-ontleedbare stoffen die bestaan uit atomen. In de sterke metaalbinding houden
elektronen de atomen bijeen. Door de vrije elektronen geleiden vaste en vloeibare metalen stroom.
Zouten zijn ontleedbare stoffen, verbindingen, die bestaan uit metaalatomen én niet-metaalatomen.
Zouten geleiden alleen stroom ingesmolten en opgeloste toestand.